betasten
werkwoordBetekenis
- met de handen iemands lichaam op verschillende plaatsen aanraken
Vervoeging van betasten
betastenhele werkwoord — betastteverleden tijd enkelvoud — betasttenverleden tijd meervoud — betastvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | betast | betastte |
| jij | betast | betastte |
| hij, zij, het | betast | betastte |
| wij | betasten | betastten |
| jullie | betasten | betastten |
| zij | betasten | betastten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben betast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent betast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| betast | gebiedende wijs |
| betast | verleden tijd, deelwoord |
| betast te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| betast te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| betast te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betast te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betast te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| betast worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| betast zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| betast zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betast zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betast zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betaste | aanvoegende wijs |
| betastend | onvoltooid, deelwoord |
| betastte | verleden tijd |
| er is betast | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was betast | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd betast | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt betast | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal betast worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal betast zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou betast worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou betast zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had betast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had betast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had betast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden betast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden betast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden betast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt betast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb betast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben betast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben betast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben betast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben betast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt betast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft betast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft betast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is betast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is betast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te betasten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben betast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen betasten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart betast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren betast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren betast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren betast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was betast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was betast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was betast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd betast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd betast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd betast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden betast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden betast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden betast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt betast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word betast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden betast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden betast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden betast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt betast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt betast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal betast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal betast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal betast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal betast zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal betast zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal betasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal betasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal betasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn betast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn betast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn betast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt betast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou betast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou betast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou betast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betast zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou betast zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou betast zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou betasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou betasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou betasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden betast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden betast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden betast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden betast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden betast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betast zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden betast zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden betast zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden betasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden betasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt betast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betast zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen betast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen betast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen betast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen betast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen betast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betast zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen betast zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen betast zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betasten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen betasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen betasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen betasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult betast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betast zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van tasten met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van betasten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| betast | voltooid deelwoord | betasten |
| betaste | aanvoegende wijs | betasten |
| betastend | onvoltooid deelwoord | betasten |
| betastende | woordvorm | betasten |
| betastte | verleden tijd | betasten |
| betastten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | betasten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van betasten zijn vastgelegd.