bestemmen
werkwoordBetekenis
- een bepaald doel, functie voor iets aanwijzen
- zenden aan, geven aan, bewaren voor
Vervoeging van bestemmen
bestemmenhele werkwoord — bestemdeverleden tijd enkelvoud — bestemdenverleden tijd meervoud — bestemdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bestem | bestemde |
| jij | bestemt | bestemde |
| hij, zij, het | bestemt | bestemde |
| wij | bestemmen | bestemden |
| jullie | bestemmen | bestemden |
| zij | bestemmen | bestemden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bestem | gebiedende wijs |
| bestemd | verleden tijd, deelwoord |
| bestemd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bestemd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bestemde | verleden tijd |
| bestemme | aanvoegende wijs |
| bestemmend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bestemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bestemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bestemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bestemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bestemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bestemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bestemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bestemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bestemmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bestemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bestemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bestemmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bestemmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bestemmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou bestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bestemmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bestemmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bestemmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bestemmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bestemmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bestemmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bestemmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bestemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bestemmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bestemmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bestemmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult bestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bestemmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘aanwijzen’ voor het eerst aangetroffen in 1348
Woordfamilie van bestemmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bestem | gebiedende wijs | bestemmen |
| bestemd | voltooid deelwoord | bestemmen |
| bestemde | verleden tijd | bestemmen |
| bestemden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bestemmen |
| bestemme | aanvoegende wijs | bestemmen |
| bestemmend | onvoltooid deelwoord | bestemmen |
| bestemmende | woordvorm | bestemmen |
| bestemt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bestemmen |
| bestemder | woordvorm | bestemd |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bestemmen zijn vastgelegd.