beschimmelen
werkwoord /bəˈsxɪmələ(n)/Betekenis
- aangevreten worden door schimmels
Hoe spreek je beschimmelen uit?
/bəˈsxɪmələn/
Beschimmelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| s | sok |
| x | acht |
| ɪ | pit |
| m | maan |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van beschimmelen
beschimmelenhele werkwoord — beschimmeldeverleden tijd enkelvoud — beschimmeldenverleden tijd meervoud — beschimmeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beschimmel | beschimmelde |
| jij | beschimmelt | beschimmelde |
| hij, zij, het | beschimmelt | beschimmelde |
| wij | beschimmelen | beschimmelden |
| jullie | beschimmelen | beschimmelden |
| zij | beschimmelen | beschimmelden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben beschimmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beschimmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beschimmel | gebiedende wijs |
| beschimmeld | verleden tijd, deelwoord |
| beschimmeld te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beschimmeld zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beschimmelde | verleden tijd |
| beschimmele | aanvoegende wijs |
| beschimmelend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| is beschimmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beschimmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beschimmelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn beschimmeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beschimmelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beschimmeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beschimmeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beschimmeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beschimmeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beschimmeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beschimmeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beschimmeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal beschimmeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beschimmeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beschimmeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beschimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beschimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beschimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn beschimmeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn beschimmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beschimmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beschimmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beschimmeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beschimmeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beschimmeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beschimmeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beschimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beschimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beschimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beschimmeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beschimmeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beschimmeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beschimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beschimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beschimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beschimmeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beschimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beschimmeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beschimmeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beschimmeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beschimmelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beschimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beschimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beschimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult beschimmeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beschimmelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van schimmelen met het voorvoegsel be-.
Woordfamilie van beschimmelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beschimmel | gebiedende wijs | beschimmelen |
| beschimmelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beschimmelen |
| beschimmele | aanvoegende wijs | beschimmelen |
| beschimmelend | onvoltooid deelwoord | beschimmelen |
| beschimmelende | woordvorm | beschimmelen |
| beschimmelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beschimmelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beschimmelen zijn vastgelegd.