Naar de inhoud

beschenken

iemand ~ met: aan iemand een schenking doen toekomen

beschenken

werkwoord

Betekenis

  1. iemand ~ met: aan iemand een schenking doen toekomen
  2. van alcoholische drank voorzien
  3. zich ~ zich dronken voeren
  4. tweede betekenisomschrijving
  5. enz.

Vervoeging van beschenken

beschenkenhele werkwoord — beschonkverleden tijd enkelvoud — beschonkenverleden tijd meervoud — beschonkenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik beschenk beschonk
jij beschenkt beschonk
hij, zij, het beschenkt beschonk
wij beschenken beschonken
jullie beschenken beschonken
zij beschenken beschonken
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben beschonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent beschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
beschenk gebiedende wijs
beschenk me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
beschenk u/je , beschenkt je gebiedende wijs
beschenke aanvoegende wijs
beschenke zich aanvoegende wijs
beschenken je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beschenken ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beschenken zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beschenkend onvoltooid, deelwoord
beschenkt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
beschenkt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
beschenkt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beschenkt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
beschenkt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
beschenkt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beschonk verleden tijd
beschonk je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
beschonk me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
beschonk zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
beschonk zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
beschonk zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
beschonken verleden tijd, deelwoord
beschonken je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
beschonken ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
beschonken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
beschonken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
beschonken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
beschonken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
beschonken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
beschonken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
beschonken zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
beschonken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
beschonken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
beschonken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
beschonken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
beschonkt u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
beschonkt u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
er is beschonken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was beschonken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd beschonken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt beschonken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal beschonken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal beschonken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou beschonken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou beschonken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had beschonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had beschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had beschonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden beschonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden beschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden beschonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt beschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb beschonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben beschonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben beschonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben beschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben beschonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt beschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft beschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft beschonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is beschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is beschonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te beschenken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben beschonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen beschenken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart beschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren beschonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren beschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren beschonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was beschonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was beschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was beschonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd beschonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd beschonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd beschonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden beschonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden beschonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden beschonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt beschonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word beschonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden beschonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden beschonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden beschonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt beschonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt beschonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal beschenken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal beschenken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal beschenken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal beschonken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beschonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal beschonken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal beschonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beschonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal beschonken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beschonken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me beschenken eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich beschenken derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je beschenken tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich beschenkend onvoltooid, deelwoord
zich beschonken hebben verleden tijd
zijn beschonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn beschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn beschonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt beschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou beschenken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou beschenken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou beschenken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou beschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou beschonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beschonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou beschonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beschonken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beschonken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beschonken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beschenken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden beschenken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden beschenken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden beschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden beschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden beschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beschonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden beschonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden beschonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beschonken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden beschonken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden beschonken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt beschenken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt beschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beschonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beschonken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen beschenken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen beschenken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen beschenken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen beschenken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

afgeleid van schenken met het voorvoegsel be-

Woordfamilie van beschenken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
beschenk gebiedende wijs beschenken
beschenke aanvoegende wijs beschenken
beschenkend onvoltooid deelwoord beschenken
beschenkende woordvorm beschenken
beschenkt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon beschenken
beschonk verleden tijd beschenken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beschenken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over beschenken

Wat betekent beschenken?
Beschenken is een werkwoord. Het woord betekent: iemand ~ met: aan iemand een schenking doen toekomen. Deze pagina beschrijft 5 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je beschenken?
Je vervoegt beschenken als volgt: de tegenwoordige tijd is beschenk, de verleden tijd is beschonk en het voltooid deelwoord is beschonken. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord beschenken is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

beschenken levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

beschenken in het kort

beschenken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 5 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van beschenken zijn 103 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort beschenken bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

beschenken: iemand ~ met: aan iemand een schenking doen toekomen
Deel beschenken — standaardnederlands.nl