beschenken
werkwoordBetekenis
- iemand ~ met: aan iemand een schenking doen toekomen
- van alcoholische drank voorzien
- zich ~ zich dronken voeren
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van beschenken
beschenkenhele werkwoord — beschonkverleden tijd enkelvoud — beschonkenverleden tijd meervoud — beschonkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beschenk | beschonk |
| jij | beschenkt | beschonk |
| hij, zij, het | beschenkt | beschonk |
| wij | beschenken | beschonken |
| jullie | beschenken | beschonken |
| zij | beschenken | beschonken |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben beschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beschenk | gebiedende wijs |
| beschenk me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beschenk u/je , beschenkt je | gebiedende wijs |
| beschenke | aanvoegende wijs |
| beschenke zich | aanvoegende wijs |
| beschenken je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beschenken ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beschenken zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beschenkend | onvoltooid, deelwoord |
| beschenkt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beschenkt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beschenkt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beschenkt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beschenkt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beschenkt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beschonk | verleden tijd |
| beschonk je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beschonk me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beschonk zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beschonk zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| beschonk zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beschonken | verleden tijd, deelwoord |
| beschonken je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beschonken ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| beschonken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beschonken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beschonken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beschonken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beschonken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beschonken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beschonken zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| beschonken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beschonken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beschonken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beschonken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beschonkt u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| beschonkt u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| er is beschonken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beschonken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beschonken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beschonken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beschonken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beschonken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beschonken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beschonken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beschonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beschonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beschonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beschonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beschonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beschenken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beschonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beschenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beschonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beschonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beschonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beschonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beschonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beschonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beschenken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beschenken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beschenken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal beschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beschonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beschonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me beschenken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich beschenken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je beschenken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich beschenkend | onvoltooid, deelwoord |
| zich beschonken hebben | verleden tijd |
| zijn beschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beschenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beschenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beschenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou beschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beschenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beschenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beschenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden beschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beschenken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt beschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beschonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beschonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beschenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beschenken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beschenken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beschenken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
afgeleid van schenken met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van beschenken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beschenk | gebiedende wijs | beschenken |
| beschenke | aanvoegende wijs | beschenken |
| beschenkend | onvoltooid deelwoord | beschenken |
| beschenkende | woordvorm | beschenken |
| beschenkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beschenken |
| beschonk | verleden tijd | beschenken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beschenken zijn vastgelegd.