beroken
werkwoordBetekenis
- een oppervlak aan rook blootstellen
- gebruik maken van een beroker om bijen rustig te maken
- een oppervlak een speciale behandeling geven met een gas, rook of damp
Vervoeging van beroken
berokenhele werkwoord — berookteverleden tijd enkelvoud — berooktenverleden tijd meervoud — berooktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | berook | berookte |
| jij | berookt | berookte |
| hij, zij, het | berookt | berookte |
| wij | beroken | berookten |
| jullie | beroken | berookten |
| zij | beroken | berookten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beroke | aanvoegende wijs |
| berokend | onvoltooid, deelwoord |
| berook | gebiedende wijs |
| berookt | verleden tijd, deelwoord |
| berookt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| berookt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| berookte | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had berookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had berookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had berookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden berookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden berookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden berookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt berookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb berookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben berookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben berookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben berookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben berookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt berookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft berookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft berookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beroken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben berookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beroken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal beroken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beroken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beroken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal berookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal berookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal berookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou beroken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beroken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beroken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou berookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou berookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou berookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beroken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beroken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beroken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden berookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden berookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden berookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beroken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt berookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beroken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beroken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beroken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beroken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen berookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen berookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen berookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beroken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult berookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van beruiken
- voltooid deelwoord van beruiken
Vervoeging van beroken
berokenhele werkwoord — berookteverleden tijd enkelvoud — berooktenverleden tijd meervoud — berooktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | berook | berookte |
| jij | berookt | berookte |
| hij, zij, het | berookt | berookte |
| wij | beroken | berookten |
| jullie | beroken | berookten |
| zij | beroken | berookten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beroke | aanvoegende wijs |
| berokend | onvoltooid, deelwoord |
| berook | gebiedende wijs |
| berookt | verleden tijd, deelwoord |
| berookt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| berookt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| berookte | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had berookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had berookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had berookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden berookt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden berookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden berookt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt berookt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb berookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben berookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben berookt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben berookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben berookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt berookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft berookt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft berookt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beroken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben berookt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beroken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal beroken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beroken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beroken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal berookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal berookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal berookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou beroken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beroken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beroken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou berookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou berookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou berookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beroken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beroken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beroken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden berookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden berookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden berookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beroken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt berookt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beroken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beroken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beroken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beroken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen berookt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen berookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen berookt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beroken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult berookt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van roken met het voorvoegsel be-.
Woordfamilie van beroken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beroke | aanvoegende wijs | beroken |
| berokend | onvoltooid deelwoord | beroken |
| berokende | woordvorm | beroken |
| berookt | voltooid deelwoord | beroken |
| berookten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beroken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beroken zijn vastgelegd.