beredderen
werkwoordBetekenis
- in staat zijn zelfstandig dagelijkse dingen te doen
Vervoeging van beredderen
beredderenhele werkwoord — beredderdeverleden tijd enkelvoud — beredderdenverleden tijd meervoud — beredderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beredder | beredderde |
| jij | bereddert | beredderde |
| hij, zij, het | bereddert | beredderde |
| wij | beredderen | beredderden |
| jullie | beredderen | beredderden |
| zij | beredderen | beredderden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben beredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beredder | gebiedende wijs |
| beredder me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beredder u/je , bereddert je | gebiedende wijs |
| beredderd | verleden tijd, deelwoord |
| beredderd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beredderd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beredderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beredderd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beredderd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beredderd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beredderd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beredderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beredderd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beredderd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beredderde | verleden tijd |
| beredderde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beredderde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beredderde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| beredderde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beredderde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beredderde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| beredderde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beredderden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beredderden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| beredderden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| bereddere | aanvoegende wijs |
| bereddere zich | aanvoegende wijs |
| beredderen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beredderen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beredderen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beredderend | onvoltooid, deelwoord |
| bereddert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bereddert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bereddert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bereddert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bereddert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bereddert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| er is beredderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beredderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beredderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beredderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beredderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beredderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beredderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beredderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beredderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beredderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beredderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beredderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beredderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beredderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beredderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beredderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beredderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beredderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beredderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beredderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beredderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beredderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beredderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beredderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beredderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beredderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beredderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beredderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beredderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beredderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beredderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beredderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beredderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beredderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beredderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beredderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beredderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beredderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beredderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beredderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beredderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beredderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beredderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beredderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beredderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beredderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beredderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beredderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beredderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me beredderen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich beredderen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je beredderen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich beredderd hebben | verleden tijd |
| zich beredderend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn beredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beredderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beredderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beredderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beredderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beredderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beredderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beredderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beredderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beredderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beredderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beredderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beredderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beredderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beredderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beredderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beredderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beredderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beredderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beredderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beredderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beredderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beredderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beredderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beredderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beredderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beredderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beredderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beredderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beredderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beredderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beredderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beredderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
afgeleid van redderen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van beredderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beredder | gebiedende wijs | beredderen |
| beredderd | voltooid deelwoord | beredderen |
| beredderde | verleden tijd | beredderen |
| beredderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beredderen |
| bereddere | aanvoegende wijs | beredderen |
| beredderend | onvoltooid deelwoord | beredderen |
| beredderende | woordvorm | beredderen |
| bereddert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beredderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beredderen zijn vastgelegd.