bepakken
werkwoordBetekenis
- een mens of lastdieren met goederen beladen
Vervoeging van bepakken
bepakkenhele werkwoord — bepakteverleden tijd enkelvoud — bepaktenverleden tijd meervoud — bepaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bepak | bepakte |
| jij | bepakt | bepakte |
| hij, zij, het | bepakt | bepakte |
| wij | bepakken | bepakten |
| jullie | bepakken | bepakten |
| zij | bepakken | bepakten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bepak | gebiedende wijs |
| bepakke | aanvoegende wijs |
| bepakkend | onvoltooid, deelwoord |
| bepakt | verleden tijd, deelwoord |
| bepakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bepakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bepakte | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bepakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bepakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bepakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bepakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bepakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bepakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bepakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bepakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bepakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bepakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bepakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bepakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bepakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bepakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bepakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bepakken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bepakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bepakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bepakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bepakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bepakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bepakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bepakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bepakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bepakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bepakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bepakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bepakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bepakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bepakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bepakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bepakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bepakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bepakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bepakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bepakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bepakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bepakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bepakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bepakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bepakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bepakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bepakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bepakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bepakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bepakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bepakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van pakken met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bepakken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bepak | gebiedende wijs | bepakken |
| bepakke | aanvoegende wijs | bepakken |
| bepakkend | onvoltooid deelwoord | bepakken |
| bepakkende | woordvorm | bepakken |
| bepakt | voltooid deelwoord | bepakken |
| bepakte | verleden tijd | bepakken |
| bepakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bepakken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bepakken zijn vastgelegd.