benauwen
werkwoordBetekenis
- zorgen bereiden
Vervoeging van benauwen
benauwenhele werkwoord — benauwdeverleden tijd enkelvoud — benauwdenverleden tijd meervoud — benauwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | benauw | benauwde |
| jij | benauwt | benauwde |
| hij, zij, het | benauwt | benauwde |
| wij | benauwen | benauwden |
| jullie | benauwen | benauwden |
| zij | benauwen | benauwden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben benauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| benauw | gebiedende wijs |
| benauwd | verleden tijd, deelwoord |
| benauwd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| benauwd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| benauwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| benauwd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| benauwd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| benauwd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| benauwd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| benauwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| benauwd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| benauwd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| benauwde | verleden tijd |
| benauwe | aanvoegende wijs |
| benauwend | onvoltooid, deelwoord |
| bent benauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is benauwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was benauwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd benauwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt benauwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal benauwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal benauwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou benauwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou benauwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had benauwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had benauwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had benauwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden benauwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden benauwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden benauwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt benauwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb benauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben benauwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben benauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben benauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben benauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt benauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft benauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft benauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is benauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is benauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te benauwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben benauwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen benauwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart benauwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren benauwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren benauwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren benauwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was benauwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was benauwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was benauwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd benauwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd benauwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd benauwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden benauwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden benauwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden benauwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt benauwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word benauwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden benauwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden benauwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden benauwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt benauwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt benauwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal benauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal benauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal benauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal benauwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal benauwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal benauwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal benauwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal benauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal benauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal benauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn benauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn benauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn benauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt benauwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou benauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou benauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou benauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou benauwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou benauwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou benauwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou benauwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou benauwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou benauwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou benauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou benauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou benauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden benauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden benauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden benauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden benauwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden benauwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden benauwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden benauwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden benauwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden benauwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden benauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden benauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden benauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt benauwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt benauwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt benauwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt benauwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen benauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen benauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen benauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen benauwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen benauwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen benauwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen benauwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen benauwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen benauwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen benauwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen benauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen benauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen benauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult benauwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult benauwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult benauwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult benauwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van nauw met het voorvoegsel be- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van benauwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| benauw | gebiedende wijs | benauwen |
| benauwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | benauwen |
| benauwe | aanvoegende wijs | benauwen |
| benauwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | benauwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van benauwen zijn vastgelegd.