Naar de inhoud

bekwamen

de nodige kennis en vaardigheid bijbrengen

bekwamen

werkwoord

Betekenis

  1. de nodige kennis en vaardigheid bijbrengen
  2. zich ~ in vaardigheid trachten te verwerven in iets

Vervoeging van bekwamen

bekwamenhele werkwoord — bekwaamdeverleden tijd enkelvoud — bekwaamdenverleden tijd meervoud — bekwaamdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bekwaam bekwaamde
jij bekwaamt bekwaamde
hij, zij, het bekwaamt bekwaamde
wij bekwamen bekwaamden
jullie bekwamen bekwaamden
zij bekwamen bekwaamden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
bekwaam gebiedende wijs
bekwaam me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bekwaam u/je , bekwaamt je gebiedende wijs
bekwaamd verleden tijd, deelwoord
bekwaamd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bekwaamd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bekwaamd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bekwaamd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bekwaamd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bekwaamd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bekwaamd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bekwaamd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bekwaamd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bekwaamd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bekwaamde verleden tijd
bekwaamde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bekwaamde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
bekwaamde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
bekwaamde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bekwaamde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
bekwaamde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
bekwaamde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bekwaamden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bekwaamden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
bekwaamden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
bekwaamt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bekwaamt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bekwaamt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bekwaamt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bekwaamt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bekwaamt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bekwame aanvoegende wijs
bekwame zich aanvoegende wijs
bekwamen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bekwamen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bekwamen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bekwamend onvoltooid, deelwoord
ben bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is bekwaamd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was bekwaamd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd bekwaamd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt bekwaamd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal bekwaamd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal bekwaamd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou bekwaamd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou bekwaamd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had bekwaamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bekwaamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bekwaamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bekwaamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bekwaamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bekwaamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bekwaamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bekwaamd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bekwamen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben bekwaamd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bekwamen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart bekwaamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bekwaamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren bekwaamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bekwaamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was bekwaamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was bekwaamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was bekwaamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal bekwaamd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bekwaamd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bekwaamd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal bekwaamd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bekwaamd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal me bekwamen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich bekwamen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je bekwamen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich bekwaamd hebben verleden tijd
zich bekwamend onvoltooid, deelwoord
zijn bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou bekwaamd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bekwaamd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bekwaamd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bekwaamd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bekwaamd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bekwaamd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden bekwaamd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bekwaamd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bekwaamd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bekwaamd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bekwaamd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bekwaamd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt bekwaamd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bekwaamd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen bekwaamd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bekwaamd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bekwaamd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van bekomen

Vervoeging van bekwamen

bekwamenhele werkwoord — bekwaamdeverleden tijd enkelvoud — bekwaamdenverleden tijd meervoud — bekwaamdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bekwaam bekwaamde
jij bekwaamt bekwaamde
hij, zij, het bekwaamt bekwaamde
wij bekwamen bekwaamden
jullie bekwamen bekwaamden
zij bekwamen bekwaamden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
bekwaam gebiedende wijs
bekwaam me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bekwaam u/je , bekwaamt je gebiedende wijs
bekwaamd verleden tijd, deelwoord
bekwaamd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bekwaamd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bekwaamd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bekwaamd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bekwaamd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bekwaamd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bekwaamd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bekwaamd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bekwaamd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bekwaamd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bekwaamde verleden tijd
bekwaamde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bekwaamde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
bekwaamde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
bekwaamde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bekwaamde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
bekwaamde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
bekwaamde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bekwaamden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bekwaamden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
bekwaamden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
bekwaamt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bekwaamt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bekwaamt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bekwaamt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
bekwaamt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
bekwaamt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bekwame aanvoegende wijs
bekwame zich aanvoegende wijs
bekwamen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bekwamen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bekwamen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bekwamend onvoltooid, deelwoord
ben bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is bekwaamd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was bekwaamd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd bekwaamd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt bekwaamd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal bekwaamd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal bekwaamd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou bekwaamd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou bekwaamd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had bekwaamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bekwaamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bekwaamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bekwaamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bekwaamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bekwaamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bekwaamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bekwaamd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bekwamen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben bekwaamd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bekwamen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart bekwaamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bekwaamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren bekwaamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bekwaamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was bekwaamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was bekwaamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was bekwaamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt bekwaamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal bekwaamd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bekwaamd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bekwaamd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal bekwaamd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bekwaamd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal me bekwamen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich bekwamen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je bekwamen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich bekwaamd hebben verleden tijd
zich bekwamend onvoltooid, deelwoord
zijn bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt bekwaamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou bekwaamd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bekwaamd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bekwaamd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bekwaamd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bekwaamd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bekwaamd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden bekwaamd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bekwaamd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bekwaamd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bekwaamd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bekwaamd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bekwaamd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt bekwaamd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bekwaamd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bekwamen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen bekwaamd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bekwaamd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bekwaamd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bekwaamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

afgeleid van bekwaam met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van bekwamen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bekwaamd voltooid deelwoord bekwamen
bekwaamde verleden tijd bekwamen
bekwaamden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bekwamen
bekwaamt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bekwamen
bekwamend onvoltooid deelwoord bekwamen
bekwamende woordvorm bekwamen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bekwamen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over bekwamen

Wat is de betekenis van bekwamen?
Bekwamen is een werkwoord. De betekenis is: de nodige kennis en vaardigheid bijbrengen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik bekwamen?
Zo vervoeg je bekwamen zo: de tegenwoordige tijd is bekwaam, de verleden tijd is bekwaamde en het voltooid deelwoord is bekwaamd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bekwamen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. K 3
  4. W 5
  5. A 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bekwamen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. K 3
  4. W 5
  5. A 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 zonder bonus
  10. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bekwamen in het kort

bekwamen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van bekwamen staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bekwamen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bekwamen: de nodige kennis en vaardigheid bijbrengen
Deel bekwamen — standaardnederlands.nl