bekwamen
werkwoordBetekenis
- de nodige kennis en vaardigheid bijbrengen
- zich ~ in vaardigheid trachten te verwerven in iets
Vervoeging van bekwamen
bekwamenhele werkwoord — bekwaamdeverleden tijd enkelvoud — bekwaamdenverleden tijd meervoud — bekwaamdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bekwaam | bekwaamde |
| jij | bekwaamt | bekwaamde |
| hij, zij, het | bekwaamt | bekwaamde |
| wij | bekwamen | bekwaamden |
| jullie | bekwamen | bekwaamden |
| zij | bekwamen | bekwaamden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| bekwaam | gebiedende wijs |
| bekwaam me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bekwaam u/je , bekwaamt je | gebiedende wijs |
| bekwaamd | verleden tijd, deelwoord |
| bekwaamd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bekwaamd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bekwaamd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bekwaamd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bekwaamd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bekwaamd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bekwaamd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bekwaamd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bekwaamd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bekwaamd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bekwaamde | verleden tijd |
| bekwaamde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bekwaamde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bekwaamde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bekwaamde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bekwaamde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bekwaamde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bekwaamde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bekwaamden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bekwaamden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| bekwaamden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| bekwaamt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bekwaamt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bekwaamt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bekwaamt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bekwaamt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bekwaamt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bekwame | aanvoegende wijs |
| bekwame zich | aanvoegende wijs |
| bekwamen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bekwamen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bekwamen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bekwamend | onvoltooid, deelwoord |
| ben bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is bekwaamd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bekwaamd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bekwaamd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bekwaamd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bekwaamd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bekwaamd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bekwaamd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bekwaamd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bekwaamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bekwaamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bekwaamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bekwaamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bekwaamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bekwaamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bekwaamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bekwaamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bekwamen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bekwaamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bekwamen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bekwaamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bekwaamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bekwaamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bekwaamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bekwaamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bekwaamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bekwaamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bekwaamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bekwaamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bekwaamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bekwaamd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bekwaamd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me bekwamen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich bekwamen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je bekwamen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich bekwaamd hebben | verleden tijd |
| zich bekwamend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bekwaamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bekwaamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bekwaamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bekwaamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bekwaamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bekwaamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bekwaamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bekwaamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bekwaamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bekwaamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bekwaamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bekwaamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bekwaamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bekwaamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bekwaamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bekwaamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bekwaamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van bekomen
Vervoeging van bekwamen
bekwamenhele werkwoord — bekwaamdeverleden tijd enkelvoud — bekwaamdenverleden tijd meervoud — bekwaamdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bekwaam | bekwaamde |
| jij | bekwaamt | bekwaamde |
| hij, zij, het | bekwaamt | bekwaamde |
| wij | bekwamen | bekwaamden |
| jullie | bekwamen | bekwaamden |
| zij | bekwamen | bekwaamden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| bekwaam | gebiedende wijs |
| bekwaam me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bekwaam u/je , bekwaamt je | gebiedende wijs |
| bekwaamd | verleden tijd, deelwoord |
| bekwaamd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bekwaamd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bekwaamd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bekwaamd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bekwaamd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bekwaamd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bekwaamd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bekwaamd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bekwaamd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bekwaamd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bekwaamde | verleden tijd |
| bekwaamde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bekwaamde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bekwaamde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bekwaamde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bekwaamde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bekwaamde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bekwaamde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bekwaamden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bekwaamden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| bekwaamden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| bekwaamt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bekwaamt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bekwaamt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bekwaamt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bekwaamt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bekwaamt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bekwame | aanvoegende wijs |
| bekwame zich | aanvoegende wijs |
| bekwamen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bekwamen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bekwamen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bekwamend | onvoltooid, deelwoord |
| ben bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is bekwaamd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bekwaamd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bekwaamd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bekwaamd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bekwaamd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bekwaamd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bekwaamd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bekwaamd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bekwaamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bekwaamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bekwaamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bekwaamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bekwaamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bekwaamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bekwaamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bekwaamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bekwamen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bekwaamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bekwamen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bekwaamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bekwaamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bekwaamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bekwaamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bekwaamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bekwaamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bekwaamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bekwaamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bekwaamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bekwaamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bekwaamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bekwaamd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bekwaamd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me bekwamen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich bekwamen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je bekwamen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich bekwaamd hebben | verleden tijd |
| zich bekwamend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bekwaamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bekwaamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bekwaamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bekwaamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bekwaamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bekwaamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bekwaamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bekwaamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bekwaamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bekwaamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bekwaamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bekwaamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bekwaamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bekwaamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bekwaamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bekwamen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bekwaamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bekwaamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bekwaamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bekwaamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
afgeleid van bekwaam met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van bekwamen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bekwaamd | voltooid deelwoord | bekwamen |
| bekwaamde | verleden tijd | bekwamen |
| bekwaamden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bekwamen |
| bekwaamt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bekwamen |
| bekwamend | onvoltooid deelwoord | bekwamen |
| bekwamende | woordvorm | bekwamen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bekwamen zijn vastgelegd.