beiden
werkwoord, hoofdtelwoord /bɛɪdə(n)/Betekenis
- treuzelen
- afwachten
- elk van beide personen
Hoe spreek je beiden uit?
/bɛidən/
Beiden bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van beiden
beidenhele werkwoord — beiddeverleden tijd enkelvoud — beiddenverleden tijd meervoud — gebeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beid | beidde |
| jij | beidt | beidde |
| hij, zij, het | beidt | beidde |
| wij | beiden | beidden |
| jullie | beiden | beidden |
| zij | beiden | beidden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| beid | gebiedende wijs |
| beidde | verleden tijd |
| beide | aanvoegende wijs |
| beidend | onvoltooid, deelwoord |
| ben gebeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gebeid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebeid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebeid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebeid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebeid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebeid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebeid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebeid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebeid | verleden tijd, deelwoord |
| gebeid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebeid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebeid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebeid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebeid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebeid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebeid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebeid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebeid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebeid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebeid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
hoofdtelwoord
- elk van twee personen
Herkomst
In de betekenis van ‘wachten’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van beiden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beid | gebiedende wijs | beiden |
| beidde | verleden tijd | beiden |
| beidden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beiden |
| beidend | onvoltooid deelwoord | beiden |
| beidende | woordvorm | beiden |
| beidt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beiden |
| gebeid | voltooid deelwoord | beiden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beiden zijn vastgelegd.