Naar de inhoud

beheersen

meester zijn over, het gezag uitoefenen over

beheersen

werkwoord bəˈhersə(n)

Betekenis

  1. meester zijn over, het gezag uitoefenen over
  2. de baas zijn over zichzelf
  3. volledig verstaan

Hoe spreek je beheersen uit?

/bəˈhersən/

Beheersen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /bəˈhersən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ə de
h hoed
e veel
r rood
s sok
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. de baas zijn over zichzelf; meester zijn over de eigen gevoelens of impulsen reflexive

Vervoeging van beheersen

beheersenhele werkwoord — beheersteverleden tijd enkelvoud — beheerstenverleden tijd meervoud — beheerstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik beheers beheerste
jij beheerst beheerste
hij, zij, het beheerst beheerste
wij beheersen beheersten
jullie beheersen beheersten
zij beheersen beheersten
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
beheers gebiedende wijs
beheers me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
beheers u/je , beheerst je gebiedende wijs
beheerse aanvoegende wijs
beheerse zich aanvoegende wijs
beheersen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beheersen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beheersen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beheersend onvoltooid, deelwoord
beheerst verleden tijd, deelwoord
beheerst je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
beheerst te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
beheerst te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
beheerst te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
beheerst te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
beheerst te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
beheerst u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
beheerst u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beheerst worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
beheerst zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
beheerst zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
beheerst zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
beheerst zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
beheerst zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
beheerst zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
beheerst zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
beheerste verleden tijd
beheerste je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
beheerste me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
beheerste u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
beheerste u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
beheerste zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
beheerste zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
beheerste zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
beheersten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
beheersten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
beheersten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
ben beheerst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent beheerst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is beheerst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was beheerst impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd beheerst impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt beheerst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal beheerst worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal beheerst zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou beheerst worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou beheerst zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had beheerst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had beheerst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had beheerst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden beheerst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden beheerst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden beheerst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt beheerst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb beheerst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben beheerst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben beheerst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben beheerst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben beheerst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt beheerst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft beheerst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft beheerst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is beheerst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is beheerst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te beheersen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben beheerst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen beheersen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart beheerst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren beheerst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren beheerst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren beheerst voltooid, verleden tijd, derde persoon
was beheerst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was beheerst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was beheerst voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd beheerst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd beheerst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd beheerst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden beheerst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden beheerst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden beheerst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt beheerst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word beheerst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden beheerst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden beheerst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden beheerst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt beheerst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt beheerst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal beheersen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal beheersen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal beheersen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal beheerst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beheerst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal beheerst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal beheerst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beheerst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal beheerst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal beheerst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me beheersen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich beheersen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je beheersen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich beheersend onvoltooid, deelwoord
zich beheerst hebben verleden tijd
zijn beheerst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn beheerst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn beheerst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt beheerst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou beheersen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou beheersen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou beheersen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou beheerst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beheerst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beheerst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou beheerst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beheerst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou beheerst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beheerst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou beheerst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou beheerst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beheersen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden beheersen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden beheersen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden beheerst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden beheerst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden beheerst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beheerst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden beheerst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden beheerst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beheerst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden beheerst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden beheerst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt beheersen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt beheerst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beheerst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beheerst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen beheersen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen beheersen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen beheersen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen beheersen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

Afgeleid van heersen met het voorvoegsel be-

Woordfamilie van beheersen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
beheers gebiedende wijs beheersen
beheerse aanvoegende wijs beheersen
beheersend onvoltooid deelwoord beheersen
beheersende woordvorm beheersen
beheersten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon beheersen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beheersen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over beheersen

Hoe spreek je beheersen uit?
De uitspraak van beheersen is: /bəˈhersə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent beheersen?
Beheersen is een werkwoord. Het woord betekent: meester zijn over, het gezag uitoefenen over. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je beheersen?
Je vervoegt beheersen als volgt: de tegenwoordige tijd is beheers, de verleden tijd is beheerste en het voltooid deelwoord is beheerst. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op beheersen?

Beheersen rijmt op 2 woorden op -eersen; aalsmeersen en meersen bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op beheersen, uitspraak bəˈhersən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
aalsmeersen 3
meersen 2

Scrabble punten

Naar spel

Het woord beheersen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. H 4
  4. E 1
  5. E 1
  6. R 2
  7. S 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

beheersen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. H 4
  4. E 1
  5. E 1
  6. R 2
  7. S 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

beheersen in het kort

beheersen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van beheersen zijn 102 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort beheersen bij een woordfamilie van 5 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

beheersen: meester zijn over, het gezag uitoefenen over
Deel beheersen — standaardnederlands.nl