begrazen
werkwoordBetekenis
- de begroeiing door vee laten opeten
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van begrazen
begrazenhele werkwoord — begraasdeverleden tijd enkelvoud — begraasdenverleden tijd meervoud — begraasdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | begraas | begraasde |
| jij | begraast | begraasde |
| hij, zij, het | begraast | begraasde |
| wij | begrazen | begraasden |
| jullie | begrazen | begraasden |
| zij | begrazen | begraasden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| begraas | gebiedende wijs |
| begraasd | verleden tijd, deelwoord |
| begraasd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| begraasd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| begraasde | verleden tijd |
| begraze | aanvoegende wijs |
| begrazend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had begraasd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had begraasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had begraasd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden begraasd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden begraasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden begraasd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt begraasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb begraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben begraasd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben begraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben begraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben begraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt begraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft begraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft begraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te begrazen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben begraasd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen begrazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal begraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal begraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal begraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal begrazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal begrazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal begrazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou begraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou begraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou begraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou begrazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou begrazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou begrazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden begraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden begraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden begraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden begrazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden begrazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden begrazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt begraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt begrazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen begraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen begraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen begraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen begrazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen begrazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen begrazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen begrazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult begraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult begrazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van grazen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van begrazen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| begraas | gebiedende wijs | begrazen |
| begraasden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | begrazen |
| begraast | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | begrazen |
| begraze | aanvoegende wijs | begrazen |
| begrazend | onvoltooid deelwoord | begrazen |
| begrazende | woordvorm | begrazen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van begrazen zijn vastgelegd.