beethouden
werkwoordBetekenis
- stevig vasthouden
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Vervoeging van beethouden
beethoudenhele werkwoord — hield beetverleden tijd enkelvoud — hielden beetverleden tijd meervoud — beetgehoudenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hou beet | hield beet |
| jij | houdt beet | hield beet |
| hij, zij, het | houdt beet | hield beet |
| wij | houden beet | hielden beet |
| jullie | houden beet | hielden beet |
| zij | houden beet | hielden beet |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| beet te houden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beet te zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beet zal houden | bijzin, toekomende tijd |
| beet zou houden | bijzin, voorwaardelijk |
| beet zouden houden | bijzin, voorwaardelijk |
| beet zoudt houden | bijzin, voorwaardelijk |
| beet zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beet zullen houden | bijzin, toekomende tijd |
| beet zult houden | bijzin, toekomende tijd |
| beetgehouden | verleden tijd, deelwoord |
| beetgehouden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beetgehouden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beetgehouden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beetgehouden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beetgehouden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beetgehouden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beetgehouden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beetgehouden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beetgehouden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beetgehouden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beethield | bijzin, verleden tijd |
| beethielden | bijzin, verleden tijd |
| beethou | bijzin, tegenwoordige tijd |
| beethoud | bijzin, tegenwoordige tijd |
| beethoudend | onvoltooid, deelwoord |
| beethoudt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben beetgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beetgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is beetgehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beetgehouden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beetgehouden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beetgehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beetgehouden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beetgehouden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beetgehouden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beetgehouden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. hou beet/ houd beet | gebiedende wijs |
| had beetgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beetgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beetgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beetgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beetgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beetgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beetgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beetgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beetgehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beetgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beetgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beetgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beetgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beetgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beetgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hield beet | verleden tijd |
| is beetgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beetgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben beetgehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beethouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beetgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beetgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beetgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beetgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beetgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beetgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beetgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beetgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beetgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beetgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beetgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beetgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beetgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beetgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beetgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beetgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beetgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beetgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beetgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beetgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beetgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beetgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beetgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beetgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beetgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beetgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beetgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beethouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beethouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beethouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal beethouden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn beetgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beetgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beetgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beetgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beetgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beetgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beetgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beetgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beetgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beetgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beetgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beetgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beetgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beethouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beethouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beethouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou beethouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) beethouden beet zou(dt) houden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden beetgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beetgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beetgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beetgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beetgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beetgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beetgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beetgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beetgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beethouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beethouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beethouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden beethouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt beetgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beetgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beetgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beethouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt beethouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen beetgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beetgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beetgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beetgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beetgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beetgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beetgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beetgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beetgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beethouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beethouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beethouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beethouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen beethouden | bijzin, toekomende tijd |
| zult beetgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van beet en houden
Woordfamilie van beethouden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beetgehouden | voltooid deelwoord | beethouden |
| beethield | subordinate-clause, verleden tijd | beethouden |
| beethielden | subordinate-clause, verleden tijd | beethouden |
| beethou | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | beethouden |
| beethoud | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | beethouden |
| beethoude | with-subordinate-clause | beethouden |
| beethoudend | onvoltooid deelwoord | beethouden |
| beethoudende | woordvorm | beethouden |
| beethoudt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | beethouden |
| hield beet | verleden tijd | beethouden |
| hielden beet | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beethouden |
| hou beet | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | beethouden |
| houd beet | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | beethouden |
| houde beet | woordvorm | beethouden |
| houden beet | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | beethouden |
| houdt beet | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beethouden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beethouden zijn vastgelegd.