beeldhouwen
werkwoordBetekenis
- uit steen een beeld vervaardigen
Vervoeging van beeldhouwen
beeldhouwenhele werkwoord — beeldhouwdeverleden tijd enkelvoud — beeldhouwdenverleden tijd meervoud — gebeeldhouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beeldhouw | beeldhouwde |
| jij | beeldhouwt | beeldhouwde |
| hij, zij, het | beeldhouwt | beeldhouwde |
| wij | beeldhouwen | beeldhouwden |
| jullie | beeldhouwen | beeldhouwden |
| zij | beeldhouwen | beeldhouwden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beeldhouw | gebiedende wijs |
| beeldhouwde | verleden tijd |
| beeldhouwe | aanvoegende wijs |
| beeldhouwend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebeeldhouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebeeldhouwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebeeldhouwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebeeldhouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebeeldhouwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebeeldhouwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebeeldhouwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebeeldhouwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebeeldhouwd | verleden tijd, deelwoord |
| gebeeldhouwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeeldhouwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebeeldhouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebeeldhouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebeeldhouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebeeldhouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebeeldhouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebeeldhouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebeeldhouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebeeldhouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeeldhouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebeeldhouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeeldhouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebeeldhouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebeeldhouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeeldhouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeeldhouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beeldhouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebeeldhouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beeldhouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal beeldhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beeldhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beeldhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebeeldhouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeeldhouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebeeldhouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou beeldhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beeldhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beeldhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebeeldhouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeeldhouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeeldhouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beeldhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beeldhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beeldhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebeeldhouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeeldhouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeeldhouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beeldhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebeeldhouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beeldhouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beeldhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beeldhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beeldhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebeeldhouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeeldhouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeeldhouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beeldhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebeeldhouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van beeld en houwen
Woordfamilie van beeldhouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beeldhouw | gebiedende wijs | beeldhouwen |
| beeldhouwde | verleden tijd | beeldhouwen |
| beeldhouwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beeldhouwen |
| beeldhouwe | aanvoegende wijs | beeldhouwen |
| beeldhouwend | onvoltooid deelwoord | beeldhouwen |
| beeldhouwende | woordvorm | beeldhouwen |
| beeldhouwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beeldhouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beeldhouwen zijn vastgelegd.