beatjuggelen
werkwoordBetekenis
- twee of meer geluidsmonsters manipuleren om een unieke compositie te scheppen met behulp van meer dan een draaitafel en een of meer mixers
Vervoeging van beatjuggelen
beatjuggelenhele werkwoord — beatjuggeldeverleden tijd enkelvoud — beatjuggeldenverleden tijd meervoud — gebeatjuggeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beatjuggel | beatjuggelde |
| jij | beatjuggelt | beatjuggelde |
| hij, zij, het | beatjuggelt | beatjuggelde |
| wij | beatjuggelen | beatjuggelden |
| jullie | beatjuggelen | beatjuggelden |
| zij | beatjuggelen | beatjuggelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beatjuggel | gebiedende wijs |
| beatjuggelde | verleden tijd |
| beatjuggele | aanvoegende wijs |
| beatjuggelend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebeatjuggeld | verleden tijd, deelwoord |
| gebeatjuggeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeatjuggeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebeatjuggeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebeatjuggeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebeatjuggeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebeatjuggeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebeatjuggeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebeatjuggeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebeatjuggeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebeatjuggeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeatjuggeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebeatjuggeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeatjuggeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebeatjuggeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebeatjuggeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeatjuggeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeatjuggeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beatjuggelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebeatjuggeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beatjuggelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal beatjuggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beatjuggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beatjuggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebeatjuggeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeatjuggeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebeatjuggeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou beatjuggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beatjuggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beatjuggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebeatjuggeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeatjuggeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeatjuggeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beatjuggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beatjuggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beatjuggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebeatjuggeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeatjuggeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeatjuggeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beatjuggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebeatjuggeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beatjuggelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beatjuggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beatjuggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beatjuggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebeatjuggeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeatjuggeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeatjuggeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beatjuggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebeatjuggeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
van het Engels, samenstelling van beat en juggelen
Woordfamilie van beatjuggelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beatjuggel | gebiedende wijs | beatjuggelen |
| beatjuggelde | verleden tijd | beatjuggelen |
| beatjuggelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beatjuggelen |
| beatjuggele | aanvoegende wijs | beatjuggelen |
| beatjuggelend | onvoltooid deelwoord | beatjuggelen |
| beatjuggelende | woordvorm | beatjuggelen |
| beatjuggelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beatjuggelen |
| gebeatjuggeld | voltooid deelwoord | beatjuggelen |
| gebeatjuggelde | woordvorm | beatjuggelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beatjuggelen zijn vastgelegd.