Naar de inhoud

bauwen

een blaffend geluid maken (gewoonlijk van personen)

bauwen

werkwoord

Betekenis

  1. een blaffend geluid maken (gewoonlijk van personen)

Vervoeging van bauwen

bauwenhele werkwoord — bauwdeverleden tijd enkelvoud — bauwdenverleden tijd meervoud — gebauwdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bauw bauwde
jij bauwt bauwde
hij, zij, het bauwt bauwde
wij bauwen bauwden
jullie bauwen bauwden
zij bauwen bauwden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bauw gebiedende wijs
bauwde verleden tijd
bauwe aanvoegende wijs
bauwend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
gebauwd verleden tijd, deelwoord
gebauwd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebauwd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gebauwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gebauwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gebauwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gebauwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gebauwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gebauwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gebauwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gebauwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebauwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gebauwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebauwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gebauwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gebauwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebauwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebauwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bauwen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gebauwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bauwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bauwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bauwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bauwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebauwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebauwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebauwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou bauwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bauwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bauwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebauwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebauwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebauwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bauwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bauwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bauwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebauwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebauwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebauwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt bauwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebauwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen bauwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bauwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bauwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bauwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gebauwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebauwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebauwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult bauwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gebauwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordfamilie van bauwen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bauw gebiedende wijs bauwen
bauwde verleden tijd bauwen
bauwden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bauwen
bauwe aanvoegende wijs bauwen
bauwend onvoltooid deelwoord bauwen
bauwende woordvorm bauwen
bauwt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bauwen
gebauwd voltooid deelwoord bauwen
gebauwde woordvorm bauwen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bauwen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bauwen

Wat is de betekenis van bauwen?
Bauwen is een werkwoord. De betekenis is: een blaffend geluid maken (gewoonlijk van personen).
Hoe vervoeg ik bauwen?
Zo vervoeg je bauwen zo: de tegenwoordige tijd is bauw, de verleden tijd is bauwde en het voltooid deelwoord is gebauwd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bauwen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. A 1
  3. U 4
  4. W 5
  5. E 1
  6. N 1
  7. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bauwen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. A 1
  3. U 2
  4. W 5
  5. E 1
  6. N 1
  7. 14 zonder bonus
  8. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bauwen telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

bauwen in het kort

bauwen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van bauwen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bauwen bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bauwen: een blaffend geluid maken (gewoonlijk van personen)
Deel bauwen — standaardnederlands.nl