badge
zelfstandig naamwoord, werkwoord bɛtʃBetekenis
- teken dat als kenmerk op de kleding kan worden bevestigd
- vaak bedoeld om een opvatting of lidmaatschap van een groep zichtbaar te maken
- soms ook gebruikt als bewijs van toegang, vergelijk 2.2
- teken dat men bij zich draagt als bewijst van een bepaalde status
- soms ook bedoeld om zichtbaar te dragen, vergelijk 1.3
- insigne
Hoe spreek je badge uit?
/bɛtʃ/
Badge bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ʃ | sjaal |
Klinkt hetzelfde als batch.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| badges | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van badgen
- gebiedende wijs van badgen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van badgen
- aanvoegende wijs van badgen
Vervoeging van badge
badgehele werkwoord
Herkomst
Van Engels badge. In de betekenis van ‘insigne, speldje’ voor het eerst aangetroffen in 1958.
Woordfamilie van badge
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| badges | meervoud | badge |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van badge zijn vastgelegd.