stretch
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord strɛtʃBetekenis
- rekbaar
- strekken
- uitrekken
- reiken tot (in de hemel, e.d.)
- het strekken,
- (van de wetgeving, verbeelding, e.d.)
Hoe spreek je stretch uit?
/strɛtʃ/
Stretch bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| ʃ | sjaal |
bijvoeglijk naamwoord
- vervaardigd uit een elastisch weefsel
zelfstandig naamwoord
- elastisch weefsel
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stretchen
- gebiedende wijs van stretchen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stretchen
Vervoeging van stretch
stretchhele werkwoord
Herkomst
van Engels stretch bn , in de betekenis van ‘rekbaar’ voor het eerst aangetroffen in 1979