backpacken
werkwoordBetekenis
- met een rugzak en te voet door een vreemde omgeving reizen, meestal zonder specifieke bestemming
Vervoeging van backpacken
backpackenhele werkwoord — backpackteverleden tijd enkelvoud — backpacktenverleden tijd meervoud — gebackpacktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | backpack | backpackte |
| jij | backpackt | backpackte |
| hij, zij, het | backpackt | backpackte |
| wij | backpacken | backpackten |
| jullie | backpacken | backpackten |
| zij | backpacken | backpackten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| backpack | gebiedende wijs |
| backpacke | aanvoegende wijs |
| backpackend | onvoltooid, deelwoord |
| backpackte | verleden tijd |
| er is gebackpackt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebackpackt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebackpackt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebackpackt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebackpackt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebackpackt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebackpackt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebackpackt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebackpackt | verleden tijd, deelwoord |
| gebackpackt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebackpackt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebackpackt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebackpackt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebackpackt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebackpackt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebackpackt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebackpackt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebackpackt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebackpackt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebackpackt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebackpackt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebackpackt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebackpackt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebackpackt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebackpackt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebackpackt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te backpacken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebackpackt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen backpacken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal backpacken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal backpacken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal backpacken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebackpackt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebackpackt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebackpackt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou backpacken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou backpacken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou backpacken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebackpackt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebackpackt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebackpackt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden backpacken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden backpacken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden backpacken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebackpackt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebackpackt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebackpackt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt backpacken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebackpackt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen backpacken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen backpacken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen backpacken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen backpacken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebackpackt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebackpackt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebackpackt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult backpacken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebackpackt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels.
Woordfamilie van backpacken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| backpack | gebiedende wijs | backpacken |
| backpacke | aanvoegende wijs | backpacken |
| backpackend | onvoltooid deelwoord | backpacken |
| backpackende | woordvorm | backpacken |
| backpackt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | backpacken |
| backpackte | verleden tijd | backpacken |
| backpackten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | backpacken |
| gebackpackt | voltooid deelwoord | backpacken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van backpacken zijn vastgelegd.