back-up
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een reservekopie van bestanden en andere gegevens die wordt gemaakt voor het geval het origineel verloren gaat
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| back-upje | verkleinwoord, enkelvoud |
| back-upjes | verkleinwoord, meervoud |
| back-ups | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van back-uppen
- gebiedende wijs van back-uppen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van back-uppen
Vervoeging van back-up
back-uphele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘reservekopie van computergegevens’ voor het eerst aangetroffen in 1981
Woordfamilie van back-up
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| back-upje | verkleinwoord | back-up |
| back-upjes | verkleinwoord meervoud | back-up |
| back-ups | meervoud | back-up |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van back-up zijn vastgelegd.