auditor
zelfstandig naamwoordBetekenis
- toehoorder, iemand die lessen volgt maar geen examen aflegt
- uitvoerende van een audit, een controleur van een bedrijf zoals een accountant etc.
- accountant, boekhouder
- militaire rechter; een militaire officier dienend in het Oostenrijk-Hongaarse leger
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| auditoren | meervoud |
| auditors | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘toehoorder’ voor het eerst aangetroffen in 1650
Woordfamilie van auditor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| auditoren | meervoud | auditor |
| auditors | meervoud | auditor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van auditor zijn vastgelegd.