Naar de inhoud

assureren

verzekeren

assureren

werkwoord

Betekenis

  1. verzekeren

Vervoeging van assureren

assurerenhele werkwoord — assureerdeverleden tijd enkelvoud — assureerdenverleden tijd meervoud — geassureerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik assureer assureerde
jij assureert assureerde
hij, zij, het assureert assureerde
wij assureren assureerden
jullie assureren assureerden
zij assureren assureerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
assureer gebiedende wijs
assureerde verleden tijd
assurere aanvoegende wijs
assurerend onvoltooid, deelwoord
ben geassureerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geassureerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geassureerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geassureerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geassureerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geassureerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geassureerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geassureerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geassureerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geassureerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geassureerd verleden tijd, deelwoord
geassureerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geassureerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geassureerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geassureerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geassureerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geassureerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geassureerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geassureerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geassureerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geassureerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geassureerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geassureerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geassureerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geassureerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geassureerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geassureerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geassureerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geassureerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geassureerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geassureerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geassureerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geassureerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geassureerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geassureerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geassureerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geassureerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geassureerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te assureren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geassureerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen assureren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geassureerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geassureerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geassureerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geassureerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geassureerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geassureerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geassureerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geassureerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geassureerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geassureerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geassureerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geassureerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geassureerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geassureerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geassureerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geassureerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geassureerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geassureerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geassureerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geassureerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal assureren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal assureren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal assureren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geassureerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geassureerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geassureerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geassureerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geassureerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geassureerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geassureerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geassureerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geassureerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geassureerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geassureerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou assureren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou assureren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou assureren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geassureerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geassureerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geassureerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geassureerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geassureerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geassureerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geassureerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geassureerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geassureerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden assureren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden assureren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden assureren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geassureerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geassureerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geassureerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geassureerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geassureerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geassureerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geassureerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geassureerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geassureerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt assureren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geassureerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geassureerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geassureerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen assureren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen assureren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen assureren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen assureren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geassureerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geassureerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geassureerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geassureerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geassureerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geassureerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geassureerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geassureerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geassureerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult assureren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geassureerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geassureerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geassureerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verzekeren’ voor het eerst aangetroffen in 1530

Woordfamilie van assureren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
assureer gebiedende wijs assureren
assureerde verleden tijd assureren
assureerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon assureren
assureert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon assureren
assurere aanvoegende wijs assureren
assurerend onvoltooid deelwoord assureren
assurerende woordvorm assureren
geassureerd voltooid deelwoord assureren
geassureerde woordvorm assureren
geassureerden meervoud geassureerde

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van assureren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over assureren

Wat is de betekenis van assureren?
Assureren is een werkwoord. De betekenis is: verzekeren.
Hoe vervoeg ik assureren?
Zo vervoeg je assureren zo: de tegenwoordige tijd is assureer, de verleden tijd is assureerde en het voltooid deelwoord is geassureerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord assureren is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. S 2
  3. S 2
  4. U 4
  5. R 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

assureren levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. S 2
  3. S 2
  4. U 2
  5. R 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 zonder bonus
  11. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (S) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

assureren in het kort

assureren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van assureren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort assureren bij een woordfamilie van 10 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

assureren: verzekeren
Deel assureren — standaardnederlands.nl