assureren
werkwoordBetekenis
- verzekeren
Vervoeging van assureren
assurerenhele werkwoord — assureerdeverleden tijd enkelvoud — assureerdenverleden tijd meervoud — geassureerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | assureer | assureerde |
| jij | assureert | assureerde |
| hij, zij, het | assureert | assureerde |
| wij | assureren | assureerden |
| jullie | assureren | assureerden |
| zij | assureren | assureerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| assureer | gebiedende wijs |
| assureerde | verleden tijd |
| assurere | aanvoegende wijs |
| assurerend | onvoltooid, deelwoord |
| ben geassureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geassureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geassureerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geassureerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geassureerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geassureerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geassureerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geassureerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geassureerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geassureerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geassureerd | verleden tijd, deelwoord |
| geassureerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geassureerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geassureerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geassureerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geassureerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geassureerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geassureerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geassureerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geassureerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geassureerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geassureerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geassureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geassureerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geassureerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geassureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geassureerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geassureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geassureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geassureerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geassureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geassureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geassureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geassureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geassureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geassureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geassureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geassureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te assureren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geassureerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen assureren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geassureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geassureerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geassureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geassureerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geassureerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geassureerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geassureerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geassureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geassureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geassureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geassureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geassureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geassureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geassureerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geassureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geassureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geassureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geassureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geassureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geassureerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal assureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal assureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal assureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geassureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geassureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geassureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geassureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geassureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geassureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geassureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geassureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geassureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geassureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geassureerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou assureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou assureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou assureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geassureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geassureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geassureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geassureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geassureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geassureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geassureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geassureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geassureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden assureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden assureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden assureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geassureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geassureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geassureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geassureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geassureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geassureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geassureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geassureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geassureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt assureren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geassureerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geassureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geassureerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen assureren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen assureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen assureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen assureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geassureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geassureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geassureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geassureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geassureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geassureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geassureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geassureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geassureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult assureren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geassureerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geassureerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geassureerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verzekeren’ voor het eerst aangetroffen in 1530
Woordfamilie van assureren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| assureer | gebiedende wijs | assureren |
| assureerde | verleden tijd | assureren |
| assureerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | assureren |
| assureert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | assureren |
| assurere | aanvoegende wijs | assureren |
| assurerend | onvoltooid deelwoord | assureren |
| assurerende | woordvorm | assureren |
| geassureerd | voltooid deelwoord | assureren |
| geassureerde | woordvorm | assureren |
| geassureerden | meervoud | geassureerde |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van assureren zijn vastgelegd.