asem
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- adem, levenslucht, ademhaling
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| asempje | verkleinwoord, enkelvoud |
| asempjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van asemen
- gebiedende wijs van asemen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van asemen
Vervoeging van asem
asemhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘ingeademde lucht’ voor het eerst aangetroffen in 1351
Woordfamilie van asem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| asempje | verkleinwoord | asem |
| asempjes | verkleinwoord meervoud | asem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van asem zijn vastgelegd.