Naar de inhoud

arrangeren

in een bepaalde orde rangschikken, ordenen

arrangeren

werkwoord

Betekenis

  1. in een bepaalde orde rangschikken, ordenen
  2. een bepaalde melodie met akkoorden omlijsten en voor een bepaalde bezetting geschikt maken
  3. (een geschil) bij schikking afdoen
  4. regelen, organiseren

werkwoord

  1. bij schikking afdoen

Vervoeging van arrangeren

arrangerenhele werkwoord — arrangeerdeverleden tijd enkelvoud — arrangeerdenverleden tijd meervoud — gearrangeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik arrangeer arrangeerde
jij arrangeert arrangeerde
hij, zij, het arrangeert arrangeerde
wij arrangeren arrangeerden
jullie arrangeren arrangeerden
zij arrangeren arrangeerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
arrangeer gebiedende wijs
arrangeerde verleden tijd
arrangere aanvoegende wijs
arrangerend onvoltooid, deelwoord
ben gearrangeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gearrangeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gearrangeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gearrangeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gearrangeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gearrangeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gearrangeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gearrangeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gearrangeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gearrangeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gearrangeerd verleden tijd, deelwoord
gearrangeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gearrangeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gearrangeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gearrangeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gearrangeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gearrangeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gearrangeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gearrangeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gearrangeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gearrangeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gearrangeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gearrangeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gearrangeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gearrangeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gearrangeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gearrangeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gearrangeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gearrangeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gearrangeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gearrangeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gearrangeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gearrangeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gearrangeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gearrangeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gearrangeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gearrangeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gearrangeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te arrangeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gearrangeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen arrangeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gearrangeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gearrangeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gearrangeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gearrangeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gearrangeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gearrangeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gearrangeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gearrangeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gearrangeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gearrangeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gearrangeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gearrangeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gearrangeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gearrangeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gearrangeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gearrangeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gearrangeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gearrangeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gearrangeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gearrangeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal arrangeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal arrangeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal arrangeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gearrangeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gearrangeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gearrangeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gearrangeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gearrangeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gearrangeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gearrangeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gearrangeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gearrangeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gearrangeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gearrangeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou arrangeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou arrangeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou arrangeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gearrangeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gearrangeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gearrangeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gearrangeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gearrangeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gearrangeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gearrangeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gearrangeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gearrangeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden arrangeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden arrangeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden arrangeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gearrangeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gearrangeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gearrangeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gearrangeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gearrangeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gearrangeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gearrangeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gearrangeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gearrangeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt arrangeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gearrangeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gearrangeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gearrangeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen arrangeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen arrangeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen arrangeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen arrangeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gearrangeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gearrangeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gearrangeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gearrangeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gearrangeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gearrangeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gearrangeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gearrangeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gearrangeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult arrangeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gearrangeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gearrangeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gearrangeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schikken’ voor het eerst aangetroffen in 1669

Woordfamilie van arrangeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
arrangeer gebiedende wijs arrangeren
arrangeerde verleden tijd arrangeren
arrangeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon arrangeren
arrangeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon arrangeren
arrangere aanvoegende wijs arrangeren
arrangerend onvoltooid deelwoord arrangeren
arrangerende woordvorm arrangeren
gearrangeerd voltooid deelwoord arrangeren
gearrangeerde woordvorm arrangeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van arrangeren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over arrangeren

Wat is de betekenis van arrangeren?
Arrangeren is een werkwoord. De betekenis is: in een bepaalde orde rangschikken, ordenen. In totaal staan er 5 betekenissen.
Hoe vervoeg ik arrangeren?
Zo vervoeg je arrangeren zo: de tegenwoordige tijd is arrangeer, de verleden tijd is arrangeerde en het voltooid deelwoord is gearrangeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord arrangeren is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. R 2
  3. R 2
  4. A 1
  5. N 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

arrangeren levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. R 2
  3. R 2
  4. A 1
  5. N 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 15 zonder bonus
  12. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

arrangeren in het kort

arrangeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 5 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van arrangeren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort arrangeren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

arrangeren: in een bepaalde orde rangschikken, ordenen
Deel arrangeren — standaardnederlands.nl