arbitreren
werkwoordBetekenis
- door arbitrage afdoen
- als scheidsrechter leiden
Vervoeging van arbitreren
arbitrerenhele werkwoord — arbitreerdeverleden tijd enkelvoud — arbitreerdenverleden tijd meervoud — gearbitreerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | arbitreer | arbitreerde |
| jij | arbitreert | arbitreerde |
| hij, zij, het | arbitreert | arbitreerde |
| wij | arbitreren | arbitreerden |
| jullie | arbitreren | arbitreerden |
| zij | arbitreren | arbitreerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| arbitreer | gebiedende wijs |
| arbitreerde | verleden tijd |
| arbitrere | aanvoegende wijs |
| arbitrerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gearbitreerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gearbitreerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gearbitreerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gearbitreerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gearbitreerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gearbitreerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gearbitreerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gearbitreerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gearbitreerd | verleden tijd, deelwoord |
| gearbitreerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gearbitreerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gearbitreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gearbitreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gearbitreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gearbitreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gearbitreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gearbitreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gearbitreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gearbitreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gearbitreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gearbitreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gearbitreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gearbitreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gearbitreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gearbitreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gearbitreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te arbitreren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gearbitreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen arbitreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal arbitreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal arbitreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal arbitreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gearbitreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gearbitreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gearbitreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou arbitreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou arbitreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou arbitreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gearbitreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gearbitreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gearbitreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden arbitreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden arbitreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden arbitreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gearbitreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gearbitreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gearbitreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt arbitreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gearbitreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen arbitreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen arbitreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen arbitreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen arbitreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gearbitreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gearbitreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gearbitreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult arbitreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gearbitreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse arbitrer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van arbitreren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| arbitreer | gebiedende wijs | arbitreren |
| arbitreerde | verleden tijd | arbitreren |
| arbitreerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | arbitreren |
| arbitreert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | arbitreren |
| arbitrere | aanvoegende wijs | arbitreren |
| arbitrerend | onvoltooid deelwoord | arbitreren |
| arbitrerende | woordvorm | arbitreren |
| gearbitreerd | voltooid deelwoord | arbitreren |
| gearbitreerde | woordvorm | arbitreren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van arbitreren zijn vastgelegd.