Naar de inhoud

arbeiden

werk verrichten met name met de handen

arbeiden

werkwoord

Betekenis

  1. werk verrichten met name met de handen

werkwoord

  1. werk verrichten, met name met de handen unergative

Vervoeging van arbeiden

arbeidenhele werkwoord — arbeiddeverleden tijd enkelvoud — arbeiddenverleden tijd meervoud — gearbeidvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik arbeid arbeidde
jij arbeidt arbeidde
hij, zij, het arbeidt arbeidde
wij arbeiden arbeidden
jullie arbeiden arbeidden
zij arbeiden arbeidden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
arbeid gebiedende wijs
arbeidde verleden tijd
arbeide aanvoegende wijs
arbeidend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
gearbeid verleden tijd, deelwoord
gearbeid te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gearbeid zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gearbeid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gearbeid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gearbeid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gearbeid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gearbeid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gearbeid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gearbeid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gearbeid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gearbeid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gearbeid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gearbeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gearbeid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gearbeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gearbeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gearbeid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te arbeiden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gearbeid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen arbeiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal arbeiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal arbeiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal arbeiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gearbeid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gearbeid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gearbeid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou arbeiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou arbeiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou arbeiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gearbeid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gearbeid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gearbeid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden arbeiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden arbeiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden arbeiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gearbeid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gearbeid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gearbeid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt arbeiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gearbeid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen arbeiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen arbeiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen arbeiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen arbeiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gearbeid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gearbeid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gearbeid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult arbeiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gearbeid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van arbeid met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van arbeiden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
arbeidde verleden tijd arbeiden
arbeidden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon arbeiden
arbeide aanvoegende wijs arbeiden
arbeidt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon arbeiden
gearbeid voltooid deelwoord arbeiden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van arbeiden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over arbeiden

Wat betekent arbeiden?
Arbeiden is een werkwoord. Het woord betekent: werk verrichten met name met de handen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je arbeiden?
Je vervoegt arbeiden als volgt: de tegenwoordige tijd is arbeid, de verleden tijd is arbeidde en het voltooid deelwoord is gearbeid. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord arbeiden is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. R 2
  3. B 3
  4. E 1
  5. I 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

arbeiden levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. R 2
  3. B 4
  4. E 1
  5. I 2
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

arbeiden in het kort

arbeiden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van arbeiden zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort arbeiden bij een woordfamilie van 5 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

arbeiden: werk verrichten met name met de handen
Deel arbeiden — standaardnederlands.nl