antichambreren
werkwoordBetekenis
- zijn opwachting maken, in de (figuurlijke) wachtkamer zitten
Vervoeging van antichambreren
antichambrerenhele werkwoord — antichambreerdeverleden tijd enkelvoud — antichambreerdenverleden tijd meervoud — geantichambreerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | antichambreer | antichambreerde |
| jij | antichambreert | antichambreerde |
| hij, zij, het | antichambreert | antichambreerde |
| wij | antichambreren | antichambreerden |
| jullie | antichambreren | antichambreerden |
| zij | antichambreren | antichambreerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| antichambreer | gebiedende wijs |
| antichambreerde | verleden tijd |
| antichambrere | aanvoegende wijs |
| antichambrerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geantichambreerd | verleden tijd, deelwoord |
| geantichambreerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geantichambreerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geantichambreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geantichambreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geantichambreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geantichambreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geantichambreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geantichambreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geantichambreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geantichambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geantichambreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geantichambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geantichambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geantichambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geantichambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geantichambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geantichambreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te antichambreren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geantichambreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen antichambreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal antichambreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal antichambreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal antichambreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geantichambreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geantichambreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geantichambreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou antichambreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou antichambreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou antichambreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geantichambreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geantichambreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geantichambreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden antichambreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden antichambreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden antichambreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geantichambreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geantichambreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geantichambreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt antichambreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geantichambreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen antichambreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen antichambreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen antichambreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen antichambreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geantichambreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geantichambreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geantichambreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult antichambreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geantichambreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Naamwoord van handeling van chambreren met het voorvoegsel anti-
Woordfamilie van antichambreren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| antichambreer | gebiedende wijs | antichambreren |
| antichambreerde | verleden tijd | antichambreren |
| antichambreerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | antichambreren |
| antichambreert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | antichambreren |
| antichambrere | aanvoegende wijs | antichambreren |
| antichambrerend | onvoltooid deelwoord | antichambreren |
| antichambrerende | woordvorm | antichambreren |
| geantichambreerd | voltooid deelwoord | antichambreren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van antichambreren zijn vastgelegd.