analogiseren
werkwoordBetekenis
- verklaren met behulp van een analogie
- het maken van een continu analoog signaal uit een digitale getallenreeks (de actie die een digitaal-analoogomzetter verricht)
Vervoeging van analogiseren
analogiserenhele werkwoord — analogiseerdeverleden tijd enkelvoud — analogiseerdenverleden tijd meervoud — geanalogiseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | analogiseer | analogiseerde |
| jij | analogiseert | analogiseerde |
| hij, zij, het | analogiseert | analogiseerde |
| wij | analogiseren | analogiseerden |
| jullie | analogiseren | analogiseerden |
| zij | analogiseren | analogiseerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| analogiseer | gebiedende wijs |
| analogiseerde | verleden tijd |
| analogisere | aanvoegende wijs |
| analogiserend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geanalogiseerd | verleden tijd, deelwoord |
| geanalogiseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geanalogiseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geanalogiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geanalogiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geanalogiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geanalogiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geanalogiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geanalogiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geanalogiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geanalogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geanalogiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geanalogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geanalogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geanalogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geanalogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geanalogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geanalogiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te analogiseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geanalogiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen analogiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal analogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal analogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal analogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geanalogiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geanalogiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geanalogiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou analogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou analogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou analogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geanalogiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geanalogiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geanalogiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden analogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden analogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden analogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geanalogiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geanalogiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geanalogiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt analogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geanalogiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen analogiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen analogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen analogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen analogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geanalogiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geanalogiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geanalogiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult analogiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geanalogiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van analogie.
Woordfamilie van analogiseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| analogiseer | gebiedende wijs | analogiseren |
| analogiseerde | verleden tijd | analogiseren |
| analogiseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | analogiseren |
| analogiseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | analogiseren |
| analogisere | aanvoegende wijs | analogiseren |
| analogiserend | onvoltooid deelwoord | analogiseren |
| analogiserende | woordvorm | analogiseren |
| geanalogiseerd | voltooid deelwoord | analogiseren |
| geanalogiseerde | woordvorm | analogiseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van analogiseren zijn vastgelegd.