ambulance
zelfstandig naamwoord ˌɑmbyˈlɑ̃səBetekenis
- voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
- verplaatsbaar veldhospitaal
- spoedeisende hulp, eerste hulp; een afdeling in een ziekenhuis.
- veldhospitaal
- treinpost
- ziekenwagen
- pohotovost
- polní nemocnice
- sanitka
ambulance in een zin
- De ambulance reed met zwaailicht door de straat.
- Binnen tien minuten stond er een ambulance voor de deur.
- Twee ambulances brachten de gewonden naar het ziekenhuis.
Let op: Er zijn twee meervouden, ambulances en ambulancen, en twee verkleinwoorden.
Hoe spreek je ambulance uit?
/ˌɑmbyˈlɑsə/
Ambulance bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| m | maan |
| b | bak |
| y | fuut |
| l | land |
| s | sok |
| ə | de |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- verplaatsbaar hospitaal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ambulanceje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ambulancejes | verkleinwoord, meervoud |
| ambulancen | meervoud |
| ambulances | meervoud |
| ambulancetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ambulancetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ziekenauto’ voor het eerst aangetroffen in 1910
Woordfamilie van ambulance
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ambulanceje | verkleinwoord | ambulance |
| ambulancejes | verkleinwoord meervoud | ambulance |
| ambulancen | meervoud | ambulance |
| ambulances | meervoud | ambulance |
| ambulancetje | verkleinwoord | ambulance |
| ambulancetjes | verkleinwoord meervoud | ambulance |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ambulance zijn vastgelegd.