alterneren
werkwoordBetekenis
- elkaar afwisselen
werkwoord
- min of meer regelmatig afwisselen intransitive
- aan wisselbouw doen intransitive
Vervoeging van alterneren
alternerenhele werkwoord — alterneerdeverleden tijd enkelvoud — alterneerdenverleden tijd meervoud — gealterneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | alterneer | alterneerde |
| jij | alterneert | alterneerde |
| hij, zij, het | alterneert | alterneerde |
| wij | alterneren | alterneerden |
| jullie | alterneren | alterneerden |
| zij | alterneren | alterneerden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| alterneer | gebiedende wijs |
| alterneerde | verleden tijd |
| alternere | aanvoegende wijs |
| alternerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gealterneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gealterneerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gealterneerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gealterneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gealterneerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gealterneerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gealterneerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gealterneerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gealterneerd | verleden tijd, deelwoord |
| gealterneerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gealterneerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gealterneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gealterneerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gealterneerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gealterneerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gealterneerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gealterneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gealterneerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gealterneerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gealterneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gealterneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gealterneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gealterneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gealterneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gealterneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gealterneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gealterneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gealterneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gealterneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gealterneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gealterneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gealterneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gealterneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gealterneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gealterneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te alterneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gealterneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen alterneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gealterneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gealterneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gealterneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gealterneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gealterneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gealterneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal alterneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal alterneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal alterneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gealterneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gealterneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gealterneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gealterneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gealterneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gealterneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou alterneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou alterneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou alterneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gealterneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gealterneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gealterneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gealterneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gealterneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden alterneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden alterneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden alterneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gealterneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gealterneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gealterneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gealterneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gealterneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt alterneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gealterneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen alterneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen alterneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen alterneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen alterneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gealterneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gealterneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gealterneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gealterneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gealterneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult alterneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gealterneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘afwisselen’ voor het eerst aangetroffen in 1553
Woordfamilie van alterneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| alterneer | gebiedende wijs | alterneren |
| alterneerde | verleden tijd | alterneren |
| alterneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | alterneren |
| alterneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | alterneren |
| alternere | aanvoegende wijs | alterneren |
| alternerend | onvoltooid deelwoord | alterneren |
| alternerende | woordvorm | alterneren |
| gealterneerd | voltooid deelwoord | alterneren |
| gealterneerde | woordvorm | alterneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van alterneren zijn vastgelegd.