alliëren
werkwoordBetekenis
- samensmelten
- In het bijzonder: vermengen van verschillende metalen, legeren
- zich ~: een bondgenootschap sluiten
Vervoeging van alliëren
alliërenhele werkwoord — allieerdeverleden tijd enkelvoud — allieerdenverleden tijd meervoud — geallieerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | allieer | allieerde |
| jij | allieert | allieerde |
| hij, zij, het | allieert | allieerde |
| wij | alliëren | allieerden |
| jullie | alliëren | allieerden |
| zij | alliëren | allieerden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| allieer | gebiedende wijs |
| allieer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| allieer u/je , allieert je | gebiedende wijs |
| allieerde | verleden tijd |
| allieerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| allieerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| allieerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| allieerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| allieerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| allieerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| allieerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| allieerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| allieerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| allieerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| allieert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| allieert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| allieert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| allieert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| allieert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| allieert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| alliëre | aanvoegende wijs |
| alliëre zich | aanvoegende wijs |
| alliëren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| alliëren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| alliëren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| alliërend | onvoltooid, deelwoord |
| ben geallieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geallieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geallieerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geallieerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geallieerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geallieerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geallieerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geallieerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geallieerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geallieerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geallieerd | verleden tijd, deelwoord |
| geallieerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geallieerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geallieerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geallieerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geallieerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geallieerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geallieerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geallieerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geallieerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geallieerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geallieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geallieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geallieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geallieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geallieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geallieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geallieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geallieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geallieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geallieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geallieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geallieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geallieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geallieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geallieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geallieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geallieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te alliëren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geallieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen alliëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geallieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geallieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geallieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geallieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geallieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geallieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geallieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geallieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geallieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geallieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geallieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geallieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geallieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geallieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geallieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geallieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geallieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geallieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geallieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geallieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal alliëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal alliëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal alliëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geallieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geallieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geallieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geallieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geallieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geallieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geallieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me alliëren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich alliëren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je alliëren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich alliërend | onvoltooid, deelwoord |
| zich geallieerd hebben | verleden tijd |
| zijn geallieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geallieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geallieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geallieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou alliëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou alliëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou alliëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geallieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geallieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geallieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geallieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geallieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geallieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geallieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geallieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geallieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden alliëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden alliëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden alliëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geallieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geallieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geallieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geallieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geallieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geallieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geallieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geallieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geallieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt alliëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geallieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geallieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geallieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen alliëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen alliëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen alliëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen alliëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse allier (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van alliëren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| allieer | gebiedende wijs | alliëren |
| allieerde | verleden tijd | alliëren |
| allieerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | alliëren |
| allieert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | alliëren |
| alliëre | aanvoegende wijs | alliëren |
| alliërend | onvoltooid deelwoord | alliëren |
| alliërende | woordvorm | alliëren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van alliëren zijn vastgelegd.