Naar de inhoud

alliëren

samensmelten

alliëren

werkwoord

Betekenis

  1. samensmelten
  2. In het bijzonder: vermengen van verschillende metalen, legeren
  3. zich ~: een bondgenootschap sluiten

Vervoeging van alliëren

alliërenhele werkwoord — allieerdeverleden tijd enkelvoud — allieerdenverleden tijd meervoud — geallieerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik allieer allieerde
jij allieert allieerde
hij, zij, het allieert allieerde
wij alliëren allieerden
jullie alliëren allieerden
zij alliëren allieerden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
allieer gebiedende wijs
allieer me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
allieer u/je , allieert je gebiedende wijs
allieerde verleden tijd
allieerde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
allieerde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
allieerde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
allieerde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
allieerde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
allieerde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
allieerde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
allieerden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
allieerden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
allieerden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
allieert je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
allieert u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
allieert u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
allieert zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
allieert zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
allieert zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
alliëre aanvoegende wijs
alliëre zich aanvoegende wijs
alliëren je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
alliëren ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
alliëren zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
alliërend onvoltooid, deelwoord
ben geallieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geallieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geallieerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geallieerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geallieerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geallieerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geallieerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geallieerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geallieerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geallieerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geallieerd verleden tijd, deelwoord
geallieerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geallieerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geallieerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geallieerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geallieerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geallieerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geallieerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geallieerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geallieerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geallieerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geallieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geallieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geallieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geallieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geallieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geallieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geallieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geallieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geallieerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geallieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geallieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geallieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geallieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geallieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geallieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geallieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geallieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te alliëren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geallieerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen alliëren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geallieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geallieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geallieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geallieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geallieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geallieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geallieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geallieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geallieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geallieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geallieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geallieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geallieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geallieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geallieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geallieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geallieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geallieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geallieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geallieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal alliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal alliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal alliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geallieerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geallieerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geallieerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geallieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geallieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geallieerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geallieerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me alliëren eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich alliëren derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je alliëren tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich alliërend onvoltooid, deelwoord
zich geallieerd hebben verleden tijd
zijn geallieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geallieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geallieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geallieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou alliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou alliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou alliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geallieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geallieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geallieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geallieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geallieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geallieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geallieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geallieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geallieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden alliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden alliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden alliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geallieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geallieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geallieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geallieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geallieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geallieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geallieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geallieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geallieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt alliëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geallieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geallieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geallieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen alliëren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen alliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen alliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen alliëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse allier (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van alliëren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
allieer gebiedende wijs alliëren
allieerde verleden tijd alliëren
allieerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon alliëren
allieert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon alliëren
alliëre aanvoegende wijs alliëren
alliërend onvoltooid deelwoord alliëren
alliërende woordvorm alliëren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van alliëren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over alliëren

Wat betekent alliëren?
Alliëren is een werkwoord. Het woord betekent: samensmelten. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je alliëren?
Je vervoegt alliëren als volgt: de tegenwoordige tijd is allieer, de verleden tijd is allieerde en het voltooid deelwoord is geallieerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord alliëren is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. L 3
  3. L 3
  4. I 1
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

alliëren levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. L 3
  3. L 3
  4. I 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

alliëren in het kort

alliëren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van alliëren zijn 103 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort alliëren bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

alliëren: samensmelten
Deel alliëren — standaardnederlands.nl