aggregeren
werkwoordBetekenis
- samenplaatsen, samenvoegen
Vervoeging van aggregeren
aggregerenhele werkwoord — aggregeerdeverleden tijd enkelvoud — aggregeerdenverleden tijd meervoud — geaggregeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | aggregeer | aggregeerde |
| jij | aggregeert | aggregeerde |
| hij, zij, het | aggregeert | aggregeerde |
| wij | aggregeren | aggregeerden |
| jullie | aggregeren | aggregeerden |
| zij | aggregeren | aggregeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aggregeer | gebiedende wijs |
| aggregeerde | verleden tijd |
| aggregere | aanvoegende wijs |
| aggregerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geaggregeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geaggregeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaggregeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geaggregeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geaggregeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geaggregeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geaggregeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geaggregeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geaggregeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geaggregeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geaggregeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaggregeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geaggregeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaggregeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geaggregeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geaggregeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaggregeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaggregeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te aggregeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geaggregeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aggregeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aggregeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aggregeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aggregeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geaggregeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaggregeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geaggregeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou aggregeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aggregeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aggregeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geaggregeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaggregeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaggregeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aggregeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aggregeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aggregeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geaggregeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geaggregeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geaggregeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aggregeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geaggregeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aggregeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aggregeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aggregeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aggregeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geaggregeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geaggregeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geaggregeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aggregeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geaggregeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse agréger (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van aggregeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aggregeer | gebiedende wijs | aggregeren |
| aggregeerde | verleden tijd | aggregeren |
| aggregeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aggregeren |
| aggregeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aggregeren |
| aggregere | aanvoegende wijs | aggregeren |
| aggregerend | onvoltooid deelwoord | aggregeren |
| aggregerende | woordvorm | aggregeren |
| geaggregeerd | voltooid deelwoord | aggregeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aggregeren zijn vastgelegd.