Naar de inhoud

afzwieren

heftig met de armen of het lichaam zwieren (schaatsen, dansen)

afzwieren

werkwoord

Betekenis

  1. heftig met de armen of het lichaam zwieren (schaatsen, dansen)
  2. van iets weg bewegen, duwen of gooien
  3. een losbandig leven leiden

Vervoeging van afzwieren

afzwierenhele werkwoord — zwierde afverleden tijd enkelvoud — zwierden afverleden tijd meervoud — afgezwierdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zwier af zwierde af
jij zwiert af zwierde af
hij, zij, het zwiert af zwierde af
wij zwieren af zwierden af
jullie zwieren af zwierden af
zij zwieren af zwierden af
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te zullen zwieren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af te zwieren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af zal zwieren bijzin, toekomende tijd
af zou zwieren bijzin, voorwaardelijk
af zouden zwieren bijzin, voorwaardelijk
af zoudt zwieren bijzin, voorwaardelijk
af zullen zwieren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen zwieren bijzin, toekomende tijd
af zult zwieren bijzin, toekomende tijd
afgezwierd verleden tijd, deelwoord
afgezwierd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezwierd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afzwier bijzin, tegenwoordige tijd
afzwierde bijzin, verleden tijd
afzwierden bijzin, verleden tijd
afzwierend onvoltooid, deelwoord
afzwiert bijzin, tegenwoordige tijd
ev. gebiedende wijs
had afgezwierd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgezwierd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgezwierd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgezwierd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgezwierd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgezwierd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgezwierd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgezwierd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezwierd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgezwierd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezwierd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgezwierd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgezwierd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezwierd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezwierd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgezwierd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afzwieren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgezwierd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezwierd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgezwierd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afzwieren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afzwieren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afzwieren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afzwieren bijzin, toekomende tijd
zou afgezwierd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezwierd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezwierd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afzwieren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afzwieren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afzwieren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afzwieren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afzwieren af zou(dt) zwieren bijzin, voorwaardelijk
zouden afgezwierd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezwierd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezwierd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afzwieren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afzwieren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afzwieren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afzwieren bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgezwierd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afzwieren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afzwieren bijzin, voorwaardelijk
zullen afgezwierd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezwierd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezwierd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afzwieren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afzwieren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afzwieren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afzwieren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afzwieren bijzin, toekomende tijd
zult afgezwierd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afzwieren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afzwieren bijzin, toekomende tijd
zult/zal afzwieren af zult/zal zwieren bijzin, toekomende tijd
zwier af gebiedende wijs
zwierde af verleden tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en zwieren ww

Woordfamilie van afzwieren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgezwierd voltooid deelwoord afzwieren
afzwier subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzwieren
afzwierde subordinate-clause, verleden tijd afzwieren
afzwierden subordinate-clause, verleden tijd afzwieren
afzwiere with-subordinate-clause afzwieren
afzwierend onvoltooid deelwoord afzwieren
afzwierende woordvorm afzwieren
afzwiert subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzwieren
zwier af gebiedende wijs afzwieren
zwierde af verleden tijd afzwieren
zwierden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afzwieren
zwiere af woordvorm afzwieren
zwieren af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afzwieren
zwiert af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afzwieren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzwieren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afzwieren

Wat is de betekenis van afzwieren?
Afzwieren is een werkwoord. De betekenis is: heftig met de armen of het lichaam zwieren (schaatsen, dansen). In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afzwieren?
Zo vervoeg je afzwieren zo: het voltooid deelwoord is afgezwierd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afzwieren is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 4
  4. W 5
  5. I 1
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afzwieren levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 5
  4. W 5
  5. I 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 zonder bonus
  11. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afzwieren in het kort

afzwieren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afzwieren staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afzwieren bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afzwieren: heftig met de armen of het lichaam zwieren (schaatsen, dansen)
Deel afzwieren — standaardnederlands.nl