Naar de inhoud

afzwemmen

een zwemdexamen doen

afzwemmen

werkwoord

Betekenis

  1. een zwemdexamen doen

werkwoord

  1. een zwemexamen doen

Vervoeging van afzwemmen

afzwemmenhele werkwoord — zwom afverleden tijd enkelvoud — zwommen afverleden tijd meervoud — afgezwommenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zwem af zwom af
jij zwemt af zwom af
hij, zij, het zwemt af zwom af
wij zwemmen af zwommen af
jullie zwemmen af zwommen af
zij zwemmen af zwommen af
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te zullen zwemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af te zwemmen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af zal zwemmen bijzin, toekomende tijd
af zou zwemmen bijzin, voorwaardelijk
af zouden zwemmen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt zwemmen bijzin, voorwaardelijk
af zullen zwemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen zwemmen bijzin, toekomende tijd
af zult zwemmen bijzin, toekomende tijd
afgezwommen verleden tijd, deelwoord
afgezwommen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezwommen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afzwem bijzin, tegenwoordige tijd
afzwemmend onvoltooid, deelwoord
afzwemt bijzin, tegenwoordige tijd
afzwom bijzin, verleden tijd
afzwommen bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had afgezwommen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgezwommen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgezwommen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgezwommen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgezwommen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgezwommen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgezwommen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgezwommen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezwommen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgezwommen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezwommen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgezwommen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgezwommen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezwommen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezwommen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgezwommen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afzwemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgezwommen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezwommen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgezwommen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afzwemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afzwemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afzwemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afzwemmen bijzin, toekomende tijd
zou afgezwommen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezwommen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezwommen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afzwemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afzwemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afzwemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afzwemmen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afzwemmen af zou(dt) zwemmen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgezwommen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezwommen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezwommen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afzwemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afzwemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afzwemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afzwemmen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgezwommen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afzwemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afzwemmen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgezwommen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezwommen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezwommen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afzwemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afzwemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afzwemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afzwemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afzwemmen bijzin, toekomende tijd
zult afgezwommen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afzwemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afzwemmen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afzwemmen af zult/zal zwemmen bijzin, toekomende tijd
zwem af gebiedende wijs
zwom af verleden tijd

Herkomst

samenstelling van af en zwemmen

Woordfamilie van afzwemmen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgezwommen voltooid deelwoord afzwemmen
afzwem subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzwemmen
afzwemme with-subordinate-clause afzwemmen
afzwemmend onvoltooid deelwoord afzwemmen
afzwemmende woordvorm afzwemmen
afzwemt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzwemmen
afzwom subordinate-clause, verleden tijd afzwemmen
afzwommen subordinate-clause, verleden tijd afzwemmen
zwem af gebiedende wijs afzwemmen
zwemme af woordvorm afzwemmen
zwemmen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afzwemmen
zwemt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afzwemmen
zwom af verleden tijd afzwemmen
zwommen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afzwemmen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzwemmen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afzwemmen

Wat is de betekenis van afzwemmen?
Afzwemmen is een werkwoord. De betekenis is: een zwemdexamen doen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afzwemmen?
Zo vervoeg je afzwemmen zo: het voltooid deelwoord is afgezwommen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afzwemmen is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 4
  4. W 5
  5. E 1
  6. M 3
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afzwemmen levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 5
  4. W 5
  5. E 1
  6. M 3
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 24 zonder bonus
  11. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afzwemmen in het kort

afzwemmen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afzwemmen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afzwemmen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afzwemmen: een zwemdexamen doen
Deel afzwemmen — standaardnederlands.nl