afzwemmen
werkwoordBetekenis
- een zwemdexamen doen
werkwoord
- een zwemexamen doen
Vervoeging van afzwemmen
afzwemmenhele werkwoord — zwom afverleden tijd enkelvoud — zwommen afverleden tijd meervoud — afgezwommenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwem af | zwom af |
| jij | zwemt af | zwom af |
| hij, zij, het | zwemt af | zwom af |
| wij | zwemmen af | zwommen af |
| jullie | zwemmen af | zwommen af |
| zij | zwemmen af | zwommen af |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te zullen zwemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af te zwemmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af zal zwemmen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou zwemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden zwemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt zwemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen zwemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen zwemmen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult zwemmen | bijzin, toekomende tijd |
| afgezwommen | verleden tijd, deelwoord |
| afgezwommen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgezwommen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afzwem | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afzwemmend | onvoltooid, deelwoord |
| afzwemt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afzwom | bijzin, verleden tijd |
| afzwommen | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgezwommen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgezwommen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgezwommen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgezwommen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgezwommen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgezwommen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgezwommen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgezwommen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezwommen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgezwommen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgezwommen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgezwommen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgezwommen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezwommen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgezwommen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgezwommen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afzwemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afgezwommen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgezwommen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgezwommen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afzwemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afzwemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afzwemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afzwemmen | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgezwommen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgezwommen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgezwommen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afzwemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afzwemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afzwemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afzwemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afzwemmen af zou(dt) zwemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgezwommen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgezwommen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgezwommen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afzwemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afzwemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afzwemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afzwemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgezwommen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afzwemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afzwemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgezwommen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgezwommen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgezwommen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afzwemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afzwemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afzwemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afzwemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afzwemmen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgezwommen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afzwemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afzwemmen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afzwemmen af zult/zal zwemmen | bijzin, toekomende tijd |
| zwem af | gebiedende wijs |
| zwom af | verleden tijd |
Herkomst
samenstelling van af en zwemmen
Woordfamilie van afzwemmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgezwommen | voltooid deelwoord | afzwemmen |
| afzwem | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afzwemmen |
| afzwemme | with-subordinate-clause | afzwemmen |
| afzwemmend | onvoltooid deelwoord | afzwemmen |
| afzwemmende | woordvorm | afzwemmen |
| afzwemt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afzwemmen |
| afzwom | subordinate-clause, verleden tijd | afzwemmen |
| afzwommen | subordinate-clause, verleden tijd | afzwemmen |
| zwem af | gebiedende wijs | afzwemmen |
| zwemme af | woordvorm | afzwemmen |
| zwemmen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afzwemmen |
| zwemt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afzwemmen |
| zwom af | verleden tijd | afzwemmen |
| zwommen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afzwemmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzwemmen zijn vastgelegd.