Naar de inhoud

afzoenen

kusjes geven, met kusjes bedekken

afzoenen

werkwoord

Betekenis

  1. kusjes geven, met kusjes bedekken

Vervoeging van afzoenen

afzoenenhele werkwoord — zoende afverleden tijd enkelvoud — zoenden afverleden tijd meervoud — afgezoendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zoen af zoende af
jij zoent af zoende af
hij, zij, het zoent af zoende af
wij zoenen af zoenden af
jullie zoenen af zoenden af
zij zoenen af zoenden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te zoenen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen zoenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal zoenen bijzin, toekomende tijd
af zou zoenen bijzin, voorwaardelijk
af zouden zoenen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt zoenen bijzin, voorwaardelijk
af zullen zoenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen zoenen bijzin, toekomende tijd
af zult zoenen bijzin, toekomende tijd
afgezoend verleden tijd, deelwoord
afgezoend te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezoend te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezoend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezoend te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezoend te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezoend worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezoend zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezoend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezoend zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezoend zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afzoen bijzin, tegenwoordige tijd
afzoende bijzin, verleden tijd
afzoenden bijzin, verleden tijd
afzoenend onvoltooid, deelwoord
afzoent bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgezoend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgezoend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgezoend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgezoend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgezoend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgezoend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgezoend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgezoend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgezoend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgezoend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgezoend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgezoend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgezoend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgezoend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgezoend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgezoend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgezoend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgezoend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezoend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgezoend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezoend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgezoend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgezoend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezoend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezoend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgezoend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgezoend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgezoend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afzoenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgezoend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezoend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgezoend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezoend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgezoend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgezoend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgezoend voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgezoend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgezoend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgezoend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgezoend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgezoend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgezoend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgezoend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgezoend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgezoend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgezoend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgezoend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgezoend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgezoend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgezoend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezoend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgezoend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgezoend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezoend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgezoend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezoend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afzoenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afzoenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afzoenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afzoenen bijzin, toekomende tijd
zijn afgezoend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgezoend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgezoend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgezoend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zoen af gebiedende wijs
zoende af verleden tijd
zou afgezoend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezoend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezoend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgezoend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezoend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgezoend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezoend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezoend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezoend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afzoenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afzoenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afzoenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afzoenen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afzoenen af zou(dt) zoenen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgezoend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezoend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezoend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgezoend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgezoend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgezoend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgezoend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezoend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezoend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afzoenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afzoenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afzoenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afzoenen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgezoend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgezoend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgezoend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afzoenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afzoenen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgezoend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezoend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezoend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgezoend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgezoend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgezoend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgezoend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezoend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezoend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afzoenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afzoenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afzoenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afzoenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afzoenen bijzin, toekomende tijd
zult afgezoend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en zoenen ww

Woordfamilie van afzoenen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgezoend voltooid deelwoord afzoenen
afgezoende woordvorm afzoenen
afzoen subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzoenen
afzoende subordinate-clause, verleden tijd afzoenen
afzoenden subordinate-clause, verleden tijd afzoenen
afzoene with-subordinate-clause afzoenen
afzoenend onvoltooid deelwoord afzoenen
afzoenende woordvorm afzoenen
afzoent subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzoenen
zoen af gebiedende wijs afzoenen
zoende af verleden tijd afzoenen
zoenden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afzoenen
zoene af woordvorm afzoenen
zoenen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afzoenen
zoent af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afzoenen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzoenen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afzoenen

Wat betekent afzoenen?
Afzoenen is een werkwoord. Het woord betekent: kusjes geven, met kusjes bedekken.
Hoe vervoeg je afzoenen?
Je vervoegt afzoenen als volgt: het voltooid deelwoord is afgezoend. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afzoenen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 4
  4. O 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afzoenen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 5
  4. O 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afzoenen in het kort

afzoenen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afzoenen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afzoenen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afzoenen: kusjes geven, met kusjes bedekken
Deel afzoenen — standaardnederlands.nl