Naar de inhoud

afzinken

iets naar de bodem van een water doen laten zinken

afzinken

werkwoord

Betekenis

  1. iets naar de bodem van een water doen laten zinken

Vervoeging van afzinken

afzinkenhele werkwoord — zonk afverleden tijd enkelvoud — zonken afverleden tijd meervoud — afgezonkenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zink af zonk af
jij zinkt af zonk af
hij, zij, het zinkt af zonk af
wij zinken af zonken af
jullie zinken af zonken af
zij zinken af zonken af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te zinken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen zinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal zinken bijzin, toekomende tijd
af zou zinken bijzin, voorwaardelijk
af zouden zinken bijzin, voorwaardelijk
af zoudt zinken bijzin, voorwaardelijk
af zullen zinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen zinken bijzin, toekomende tijd
af zult zinken bijzin, toekomende tijd
afgezonken verleden tijd, deelwoord
afgezonken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezonken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezonken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezonken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezonken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezonken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezonken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezonken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezonken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezonken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afzink bijzin, tegenwoordige tijd
afzinkend onvoltooid, deelwoord
afzinkt bijzin, tegenwoordige tijd
afzonk bijzin, verleden tijd
afzonken bijzin, verleden tijd
ben afgezonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgezonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgezonken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgezonken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgezonken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgezonken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgezonken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgezonken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgezonken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgezonken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgezonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgezonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgezonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgezonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgezonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgezonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgezonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgezonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgezonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgezonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgezonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgezonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgezonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgezonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afzinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgezonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgezonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgezonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgezonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgezonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgezonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgezonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgezonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgezonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgezonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgezonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgezonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgezonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgezonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgezonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgezonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgezonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgezonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgezonken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgezonken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgezonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgezonken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezonken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afzinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afzinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afzinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afzinken bijzin, toekomende tijd
zijn afgezonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgezonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgezonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgezonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zink af gebiedende wijs
zonk af verleden tijd
zou afgezonken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezonken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgezonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgezonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezonken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezonken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezonken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afzinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afzinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afzinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afzinken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afzinken af zou(dt) zinken bijzin, voorwaardelijk
zouden afgezonken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezonken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgezonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgezonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgezonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgezonken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezonken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezonken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afzinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afzinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afzinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afzinken bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgezonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgezonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgezonken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afzinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afzinken bijzin, voorwaardelijk
zullen afgezonken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezonken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgezonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgezonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgezonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgezonken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezonken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezonken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afzinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afzinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afzinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afzinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afzinken bijzin, toekomende tijd
zult afgezonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af en zinken

Woordfamilie van afzinken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgezonken voltooid deelwoord afzinken
afzink subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzinken
afzinke with-subordinate-clause afzinken
afzinkend onvoltooid deelwoord afzinken
afzinkende woordvorm afzinken
afzinkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzinken
afzonk subordinate-clause, verleden tijd afzinken
afzonken subordinate-clause, verleden tijd afzinken
zink af gebiedende wijs afzinken
zinke af woordvorm afzinken
zinken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afzinken
zinkt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afzinken
zonk af verleden tijd afzinken
zonken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afzinken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzinken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afzinken

Wat is de betekenis van afzinken?
Afzinken is een werkwoord. De betekenis is: iets naar de bodem van een water doen laten zinken.
Hoe vervoeg ik afzinken?
Zo vervoeg je afzinken zo: het voltooid deelwoord is afgezonken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afzinken is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 4
  4. I 1
  5. N 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afzinken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 5
  4. I 2
  5. N 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afzinken in het kort

afzinken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afzinken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afzinken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afzinken: iets naar de bodem van een water doen laten zinken
Deel afzinken — standaardnederlands.nl