afwijken
werkwoordBetekenis
- niet de gangbare norm volgen
- iets doen wat in strijd is met wat men normaal zou doen
werkwoord
- niet volgen van de juiste weg; niet volgen van de juiste richting
- anders zijn
Vervoeging van afwijken
afwijkenhele werkwoord — week afverleden tijd enkelvoud — weken afverleden tijd meervoud — afgewekenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wijk af | week af |
| jij | wijkt af | week af |
| hij, zij, het | wijkt af | week af |
| wij | wijken af | weken af |
| jullie | wijken af | weken af |
| zij | wijken af | weken af |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te wijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen wijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal wijken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou wijken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden wijken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt wijken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen wijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen wijken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult wijken | bijzin, toekomende tijd |
| afgeweken | verleden tijd, deelwoord |
| afgeweken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeweken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeweken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeweken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeweken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeweken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeweken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeweken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeweken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeweken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afweek | bijzin, verleden tijd |
| afweekt | bijzin, verleden tijd |
| afweken | bijzin, verleden tijd |
| afwijk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afwijkend | onvoltooid, deelwoord |
| afwijkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgeweken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeweken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeweken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeweken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeweken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeweken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeweken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeweken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeweken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeweken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeweken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeweken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeweken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgeweken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afwijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeweken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeweken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeweken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeweken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| week af | verleden tijd |
| werd afgeweken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgeweken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgeweken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgeweken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgeweken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgeweken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgeweken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| wijk af | gebiedende wijs |
| word afgeweken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgeweken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgeweken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgeweken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgeweken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgeweken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgeweken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeweken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeweken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgeweken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeweken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgeweken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeweken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afwijken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgeweken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeweken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeweken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgeweken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeweken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgeweken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afwijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afwijken af zou(dt) wijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeweken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeweken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeweken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeweken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeweken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeweken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afwijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeweken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeweken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afwijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeweken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeweken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeweken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeweken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeweken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeweken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeweken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeweken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeweken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afwijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afwijken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en wijken ww
Woordfamilie van afwijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeweken | voltooid deelwoord | afwijken |
| afwijk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afwijken |
| afwijke | with-subordinate-clause | afwijken |
| afwijkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afwijken |
| wijk af | gebiedende wijs | afwijken |
| wijke af | woordvorm | afwijken |
| wijken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afwijken |
| wijkt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afwijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afwijken zijn vastgelegd.