Naar de inhoud

afwijken

niet de gangbare norm volgen

afwijken

werkwoord

Betekenis

  1. niet de gangbare norm volgen
  2. iets doen wat in strijd is met wat men normaal zou doen

werkwoord

  1. niet volgen van de juiste weg; niet volgen van de juiste richting
  2. anders zijn

Vervoeging van afwijken

afwijkenhele werkwoord — week afverleden tijd enkelvoud — weken afverleden tijd meervoud — afgewekenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik wijk af week af
jij wijkt af week af
hij, zij, het wijkt af week af
wij wijken af weken af
jullie wijken af weken af
zij wijken af weken af
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te wijken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen wijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal wijken bijzin, toekomende tijd
af zou wijken bijzin, voorwaardelijk
af zouden wijken bijzin, voorwaardelijk
af zoudt wijken bijzin, voorwaardelijk
af zullen wijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen wijken bijzin, toekomende tijd
af zult wijken bijzin, toekomende tijd
afgeweken verleden tijd, deelwoord
afgeweken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeweken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeweken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeweken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeweken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeweken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeweken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeweken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeweken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeweken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afweek bijzin, verleden tijd
afweekt bijzin, verleden tijd
afweken bijzin, verleden tijd
afwijk bijzin, tegenwoordige tijd
afwijkend onvoltooid, deelwoord
afwijkt bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgeweken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgeweken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgeweken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeweken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeweken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeweken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeweken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeweken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeweken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeweken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeweken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeweken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeweken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeweken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeweken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeweken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeweken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeweken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeweken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeweken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeweken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeweken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeweken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeweken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeweken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgeweken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgeweken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgeweken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afwijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgeweken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeweken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgeweken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeweken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgeweken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgeweken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgeweken voltooid, verleden tijd, derde persoon
week af verleden tijd
werd afgeweken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgeweken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgeweken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgeweken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgeweken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgeweken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgeweken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
wijk af gebiedende wijs
word afgeweken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgeweken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgeweken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgeweken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgeweken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgeweken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgeweken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeweken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeweken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgeweken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeweken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgeweken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeweken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afwijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afwijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afwijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afwijken bijzin, toekomende tijd
zijn afgeweken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgeweken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgeweken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgeweken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgeweken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeweken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeweken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgeweken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeweken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgeweken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeweken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeweken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeweken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afwijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afwijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afwijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afwijken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afwijken af zou(dt) wijken bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeweken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeweken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeweken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeweken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgeweken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgeweken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeweken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeweken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeweken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afwijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afwijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afwijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afwijken bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeweken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeweken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeweken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afwijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afwijken bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeweken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeweken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeweken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeweken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgeweken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgeweken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeweken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeweken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeweken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afwijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afwijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afwijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afwijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afwijken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en wijken ww

Woordfamilie van afwijken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeweken voltooid deelwoord afwijken
afwijk subordinate-clause, tegenwoordige tijd afwijken
afwijke with-subordinate-clause afwijken
afwijkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afwijken
wijk af gebiedende wijs afwijken
wijke af woordvorm afwijken
wijken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afwijken
wijkt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afwijken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afwijken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over afwijken

Wat is de betekenis van afwijken?
Afwijken is een werkwoord. De betekenis is: niet de gangbare norm volgen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afwijken?
Zo vervoeg je afwijken zo: het voltooid deelwoord is afgeweken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afwijken is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. W 5
  4. I 1
  5. J 4
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afwijken levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. W 5
  4. I 2
  5. J 4
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 21 zonder bonus
  10. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afwijken in het kort

afwijken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afwijken staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afwijken bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afwijken: niet de gangbare norm volgen
Deel afwijken — standaardnederlands.nl