Naar de inhoud

afweken

door weken loslaten

afweken is meer dan één woord

afweken

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. door weken loslaten
  2. iets zo lang weken tot het loslaat

Vervoeging van afweken

afwekenhele werkwoord — weekte afverleden tijd enkelvoud — weekten afverleden tijd meervoud — afgeweektvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik week af weekte af
jij weekt af weekte af
hij, zij, het weekt af weekte af
wij weken af weekten af
jullie weken af weekten af
zij weken af weekten af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te weken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen weken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal weken bijzin, toekomende tijd
af zou weken bijzin, voorwaardelijk
af zouden weken bijzin, voorwaardelijk
af zoudt weken bijzin, voorwaardelijk
af zullen weken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen weken bijzin, toekomende tijd
af zult weken bijzin, toekomende tijd
afgeweekt verleden tijd, deelwoord
afgeweekt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeweekt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeweekt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeweekt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeweekt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeweekt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeweekt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeweekt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeweekt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeweekt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afweek bijzin, tegenwoordige tijd
afweekt bijzin, tegenwoordige tijd
afweekte bijzin, verleden tijd
afweekten bijzin, verleden tijd
afwekend onvoltooid, deelwoord
ben afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgeweekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeweekt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeweekt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeweekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeweekt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeweekt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeweekt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeweekt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeweekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgeweekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afweken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
week af gebiedende wijs
weekte af verleden tijd
werd afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afweken bijzin, toekomende tijd
zijn afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afweken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afweken af zou(dt) weken bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afweken bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afweken bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afweken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afweken bijzin, toekomende tijd
zult afgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van afwijken

Vervoeging van afweken

afwekenhele werkwoord — weekte afverleden tijd enkelvoud — weekten afverleden tijd meervoud — afgeweektvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik week af weekte af
jij weekt af weekte af
hij, zij, het weekt af weekte af
wij weken af weekten af
jullie weken af weekten af
zij weken af weekten af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te weken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen weken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal weken bijzin, toekomende tijd
af zou weken bijzin, voorwaardelijk
af zouden weken bijzin, voorwaardelijk
af zoudt weken bijzin, voorwaardelijk
af zullen weken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen weken bijzin, toekomende tijd
af zult weken bijzin, toekomende tijd
afgeweekt verleden tijd, deelwoord
afgeweekt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeweekt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeweekt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeweekt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeweekt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeweekt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeweekt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeweekt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeweekt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeweekt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afweek bijzin, tegenwoordige tijd
afweekt bijzin, tegenwoordige tijd
afweekte bijzin, verleden tijd
afweekten bijzin, verleden tijd
afwekend onvoltooid, deelwoord
ben afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgeweekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeweekt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeweekt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeweekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeweekt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeweekt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeweekt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeweekt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeweekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgeweekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afweken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
week af gebiedende wijs
weekte af verleden tijd
werd afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgeweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afweken bijzin, toekomende tijd
zijn afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afweken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afweken af zou(dt) weken bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afweken bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afweken bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgeweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeweekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afweken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afweken bijzin, toekomende tijd
zult afgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord afweek

Herkomst

samenstelling van af en weken

Woordfamilie van afweken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeweekt voltooid deelwoord afweken
afgeweekte woordvorm afweken
afweekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afweken
afweekte subordinate-clause, verleden tijd afweken
afweekten subordinate-clause, verleden tijd afweken
afweke with-subordinate-clause afweken
afwekend onvoltooid deelwoord afweken
afwekende woordvorm afweken
weekt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afweken
weekte af verleden tijd afweken
weekten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afweken
weke af woordvorm afweken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afweken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afweken

Wat is de betekenis van afweken?
Afweken is een werkwoord. De betekenis is: door weken loslaten. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afweken?
Zo vervoeg je afweken zo: het voltooid deelwoord is afgeweekt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afweken is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. W 5
  4. E 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afweken levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 118 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. W 5
  4. E 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 16 zonder bonus
  9. 118 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

afweken telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

afweken in het kort

afweken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afweken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afweken bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afweken: door weken loslaten
Deel afweken — standaardnederlands.nl