afweken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- door weken loslaten
- iets zo lang weken tot het loslaat
Vervoeging van afweken
afwekenhele werkwoord — weekte afverleden tijd enkelvoud — weekten afverleden tijd meervoud — afgeweektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | week af | weekte af |
| jij | weekt af | weekte af |
| hij, zij, het | weekt af | weekte af |
| wij | weken af | weekten af |
| jullie | weken af | weekten af |
| zij | weken af | weekten af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te weken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen weken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal weken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou weken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden weken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt weken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen weken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen weken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult weken | bijzin, toekomende tijd |
| afgeweekt | verleden tijd, deelwoord |
| afgeweekt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeweekt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeweekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeweekt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeweekt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeweekt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeweekt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeweekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeweekt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeweekt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afweek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afweekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afweekte | bijzin, verleden tijd |
| afweekten | bijzin, verleden tijd |
| afwekend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgeweekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeweekt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeweekt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeweekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeweekt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeweekt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeweekt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeweekt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeweekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgeweekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afweken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| week af | gebiedende wijs |
| weekte af | verleden tijd |
| werd afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgeweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgeweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afweken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgeweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afweken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afweken af zou(dt) weken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afweken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afweken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afweken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afweken | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van afwijken
Vervoeging van afweken
afwekenhele werkwoord — weekte afverleden tijd enkelvoud — weekten afverleden tijd meervoud — afgeweektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | week af | weekte af |
| jij | weekt af | weekte af |
| hij, zij, het | weekt af | weekte af |
| wij | weken af | weekten af |
| jullie | weken af | weekten af |
| zij | weken af | weekten af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te weken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen weken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal weken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou weken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden weken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt weken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen weken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen weken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult weken | bijzin, toekomende tijd |
| afgeweekt | verleden tijd, deelwoord |
| afgeweekt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeweekt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeweekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeweekt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeweekt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeweekt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeweekt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeweekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeweekt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeweekt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afweek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afweekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afweekte | bijzin, verleden tijd |
| afweekten | bijzin, verleden tijd |
| afwekend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgeweekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeweekt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeweekt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeweekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeweekt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeweekt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeweekt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeweekt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeweekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgeweekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afweken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| week af | gebiedende wijs |
| weekte af | verleden tijd |
| werd afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgeweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgeweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgeweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afweken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgeweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afweken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afweken af zou(dt) weken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afweken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afweken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afweken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afweken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afweken | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord afweek
Herkomst
samenstelling van af en weken
Woordfamilie van afweken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeweekt | voltooid deelwoord | afweken |
| afgeweekte | woordvorm | afweken |
| afweekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afweken |
| afweekte | subordinate-clause, verleden tijd | afweken |
| afweekten | subordinate-clause, verleden tijd | afweken |
| afweke | with-subordinate-clause | afweken |
| afwekend | onvoltooid deelwoord | afweken |
| afwekende | woordvorm | afweken |
| weekt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afweken |
| weekte af | verleden tijd | afweken |
| weekten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afweken |
| weke af | woordvorm | afweken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afweken zijn vastgelegd.