afwegen
werkwoord ˈɑfweɣə(n)Betekenis
- het ene belang vergelijken met het andere
- een bepaalde massa door weging afzonderen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je afwegen uit?
/ˈɑfwexən/
Afwegen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| w | quiz |
| e | veel |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afwegen
afwegenhele werkwoord — woog afverleden tijd enkelvoud — wogen afverleden tijd meervoud — afgewogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weeg af | woog af |
| jij | weegt af | woog af |
| hij, zij, het | weegt af | woog af |
| wij | wegen af | wogen af |
| jullie | wegen af | wogen af |
| zij | wegen af | wogen af |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te wegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen wegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal wegen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou wegen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden wegen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt wegen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen wegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen wegen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult wegen | bijzin, toekomende tijd |
| afgewogen | verleden tijd, deelwoord |
| afgewogen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgewogen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgewogen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgewogen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgewogen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgewogen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgewogen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgewogen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgewogen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgewogen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afweeg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afweegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afwegend | onvoltooid, deelwoord |
| afwogen | bijzin, verleden tijd |
| afwoog | bijzin, verleden tijd |
| afwoogt | bijzin, verleden tijd |
| ben afgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgewogen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgewogen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgewogen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgewogen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgewogen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgewogen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgewogen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgewogen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgewogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgewogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgewogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgewogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afwegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgewogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgewogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weeg af | gebiedende wijs |
| werd afgewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| woog af | verleden tijd |
| word afgewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgewogen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgewogen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afwegen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afwegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afwegen af zou(dt) wegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afwegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afwegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgewogen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgewogen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgewogen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afwegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afwegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afwegen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en wegen ww
Woordfamilie van afwegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgewogen | voltooid deelwoord | afwegen |
| afweeg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afwegen |
| afweegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afwegen |
| afwege | with-subordinate-clause | afwegen |
| afwegend | onvoltooid deelwoord | afwegen |
| afwegende | woordvorm | afwegen |
| afwogen | subordinate-clause, verleden tijd | afwegen |
| afwoog | subordinate-clause, verleden tijd | afwegen |
| weeg af | gebiedende wijs | afwegen |
| weegt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afwegen |
| wege af | woordvorm | afwegen |
| wegen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afwegen |
| wogen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afwegen |
| woog af | verleden tijd | afwegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afwegen zijn vastgelegd.