afwateren
werkwoordBetekenis
- overtollig water afvoeren
Vervoeging van afwateren
afwaterenhele werkwoord — waterde afverleden tijd enkelvoud — waterden afverleden tijd meervoud — afgewaterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | water af | waterde af |
| jij | watert af | waterde af |
| hij, zij, het | watert af | waterde af |
| wij | wateren af | waterden af |
| jullie | wateren af | waterden af |
| zij | wateren af | waterden af |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te wateren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen wateren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal wateren | bijzin, toekomende tijd |
| af zou wateren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden wateren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt wateren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen wateren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen wateren | bijzin, toekomende tijd |
| af zult wateren | bijzin, toekomende tijd |
| afgewaterd | verleden tijd, deelwoord |
| afgewaterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgewaterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afwater | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afwaterde | bijzin, verleden tijd |
| afwaterden | bijzin, verleden tijd |
| afwaterend | onvoltooid, deelwoord |
| afwatert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgewaterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgewaterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgewaterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgewaterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgewaterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgewaterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgewaterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgewaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgewaterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgewaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgewaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgewaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgewaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgewaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgewaterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgewaterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afwateren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| water af | gebiedende wijs |
| waterde af | verleden tijd |
| zal afgewaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgewaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgewaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afwateren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afwateren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afwateren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afwateren | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgewaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgewaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgewaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afwateren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afwateren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afwateren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afwateren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afwateren af zou(dt) wateren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgewaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgewaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgewaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afwateren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afwateren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afwateren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afwateren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgewaterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afwateren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afwateren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgewaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgewaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgewaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afwateren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afwateren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afwateren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afwateren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afwateren | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgewaterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afwateren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afwateren | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afwateren af zult/zal wateren | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en wateren ww
Woordfamilie van afwateren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgewaterd | voltooid deelwoord | afwateren |
| afgewaterde | woordvorm | afwateren |
| afwater | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afwateren |
| afwaterde | subordinate-clause, verleden tijd | afwateren |
| afwaterden | subordinate-clause, verleden tijd | afwateren |
| afwatere | with-subordinate-clause | afwateren |
| afwaterend | onvoltooid deelwoord | afwateren |
| afwaterende | woordvorm | afwateren |
| afwatert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afwateren |
| water af | gebiedende wijs | afwateren |
| waterde af | verleden tijd | afwateren |
| waterden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afwateren |
| watere af | woordvorm | afwateren |
| wateren af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afwateren |
| watert af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afwateren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afwateren zijn vastgelegd.