Naar de inhoud

afvuren

wegschieten van kogels, projectielen

afvuren

werkwoord

Betekenis

  1. wegschieten van kogels, projectielen

werkwoord

  1. het stellen van veel, indringende vragen figuratively

Vervoeging van afvuren

afvurenhele werkwoord — vuurde afverleden tijd enkelvoud — vuurden afverleden tijd meervoud — afgevuurdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vuur af vuurde af
jij vuurt af vuurde af
hij, zij, het vuurt af vuurde af
wij vuren af vuurden af
jullie vuren af vuurden af
zij vuren af vuurden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te vuren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen vuren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal vuren bijzin, toekomende tijd
af zou vuren bijzin, voorwaardelijk
af zouden vuren bijzin, voorwaardelijk
af zoudt vuren bijzin, voorwaardelijk
af zullen vuren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen vuren bijzin, toekomende tijd
af zult vuren bijzin, toekomende tijd
afgevuurd verleden tijd, deelwoord
afgevuurd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgevuurd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgevuurd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgevuurd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgevuurd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgevuurd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgevuurd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgevuurd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgevuurd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgevuurd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afvurend onvoltooid, deelwoord
afvuur bijzin, tegenwoordige tijd
afvuurde bijzin, verleden tijd
afvuurden bijzin, verleden tijd
afvuurt bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgevuurd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgevuurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgevuurd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgevuurd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgevuurd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgevuurd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgevuurd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgevuurd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgevuurd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgevuurd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgevuurd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgevuurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgevuurd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgevuurd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgevuurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgevuurd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgevuurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgevuurd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgevuurd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgevuurd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgevuurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgevuurd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgevuurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgevuurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgevuurd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgevuurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgevuurd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgevuurd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afvuren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vuur af gebiedende wijs
vuurde af verleden tijd
waart afgevuurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgevuurd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgevuurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgevuurd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgevuurd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgevuurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgevuurd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgevuurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgevuurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgevuurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgevuurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgevuurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgevuurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgevuurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgevuurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgevuurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgevuurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgevuurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgevuurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgevuurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgevuurd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgevuurd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgevuurd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgevuurd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgevuurd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgevuurd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgevuurd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afvuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afvuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afvuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afvuren bijzin, toekomende tijd
zijn afgevuurd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgevuurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgevuurd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgevuurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgevuurd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgevuurd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgevuurd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgevuurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgevuurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgevuurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgevuurd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgevuurd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgevuurd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afvuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afvuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afvuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afvuren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afvuren af zou(dt) vuren bijzin, voorwaardelijk
zouden afgevuurd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgevuurd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgevuurd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgevuurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgevuurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgevuurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgevuurd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgevuurd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgevuurd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afvuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afvuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afvuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afvuren bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgevuurd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgevuurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgevuurd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afvuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afvuren bijzin, voorwaardelijk
zullen afgevuurd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgevuurd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgevuurd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgevuurd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgevuurd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgevuurd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgevuurd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgevuurd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgevuurd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afvuren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afvuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afvuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afvuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afvuren bijzin, toekomende tijd
zult afgevuurd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en vuren ww

Woordfamilie van afvuren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgevuurd voltooid deelwoord afvuren
afgevuurde woordvorm afvuren
afvure with-subordinate-clause afvuren
afvurend onvoltooid deelwoord afvuren
afvurende woordvorm afvuren
afvuur subordinate-clause, tegenwoordige tijd afvuren
afvuurde subordinate-clause, verleden tijd afvuren
afvuurden subordinate-clause, verleden tijd afvuren
afvuurt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afvuren
vure af woordvorm afvuren
vuren af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afvuren
vuur af gebiedende wijs afvuren
vuurde af verleden tijd afvuren
vuurden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afvuren
vuurt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afvuren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afvuren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afvuren

Wat betekent afvuren?
Afvuren is een werkwoord. Het woord betekent: wegschieten van kogels, projectielen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je afvuren?
Je vervoegt afvuren als volgt: het voltooid deelwoord is afgevuurd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afvuren is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. V 4
  4. U 4
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afvuren levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 109 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. V 4
  4. U 2
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 zonder bonus
  9. 109 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

afvuren telt 7 letters, waarvan 7 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

afvuren in het kort

afvuren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van afvuren zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afvuren bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afvuren: wegschieten van kogels, projectielen
Deel afvuren — standaardnederlands.nl