afvliegen
werkwoord ˈɑfliɣə(n)Betekenis
- van een bepaalde plaats wegvliegen
- op afvliegen: ergens naartoe vliegen
Hoe spreek je afvliegen uit?
/ˈɑflixən/
Afvliegen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| l | land |
| i | riet |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als afliegen.
werkwoord
- op eigen kracht door de lucht vertrekken unergative
Vervoeging van afvliegen
afvliegenhele werkwoord — vloog afverleden tijd enkelvoud — vlogen afverleden tijd meervoud — afgevlogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vlieg af | vloog af |
| jij | vliegt af | vloog af |
| hij, zij, het | vliegt af | vloog af |
| wij | vliegen af | vlogen af |
| jullie | vliegen af | vlogen af |
| zij | vliegen af | vlogen af |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te vliegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen vliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal vliegen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou vliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden vliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt vliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen vliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen vliegen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult vliegen | bijzin, toekomende tijd |
| afgevlogen | verleden tijd, deelwoord |
| afgevlogen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgevlogen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afvlieg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afvliegend | onvoltooid, deelwoord |
| afvliegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afvlogen | bijzin, verleden tijd |
| afvloog | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgevlogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgevlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgevlogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgevlogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgevlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgevlogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgevlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgevlogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgevlogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afvliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vlieg af | gebiedende wijs |
| vloog af | verleden tijd |
| zal afgevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afvliegen | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afvliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afvliegen af zou(dt) vliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afvliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afvliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afvliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afvliegen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afvliegen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afvliegen af zult/zal vliegen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en vliegen ww
Woordfamilie van afvliegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgevlogen | voltooid deelwoord | afvliegen |
| afvlieg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afvliegen |
| afvliege | with-subordinate-clause | afvliegen |
| afvliegend | onvoltooid deelwoord | afvliegen |
| afvliegende | woordvorm | afvliegen |
| afvliegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afvliegen |
| afvlogen | subordinate-clause, verleden tijd | afvliegen |
| afvloog | subordinate-clause, verleden tijd | afvliegen |
| vlieg af | gebiedende wijs | afvliegen |
| vliege af | woordvorm | afvliegen |
| vliegen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afvliegen |
| vliegt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afvliegen |
| vlogen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afvliegen |
| vloog af | verleden tijd | afvliegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afvliegen zijn vastgelegd.