afvaardigen
werkwoord /ˈɑˌfaːrdəɣə(n)/Betekenis
- iemand machtigen om iets te vertegenwoordigen, meestal een vereniging of een staat
Hoe spreek je afvaardigen uit?
/ˈɑˌfardəxən/
Afvaardigen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| a | maan |
| r | rood |
| d | dak |
| ə | de |
| x | acht |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van afvaardigen
afvaardigenhele werkwoord — vaardigde afverleden tijd enkelvoud — vaardigden afverleden tijd meervoud — afgevaardigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vaardig af | vaardigde af |
| jij | vaardigt af | vaardigde af |
| hij, zij, het | vaardigt af | vaardigde af |
| wij | vaardigen af | vaardigden af |
| jullie | vaardigen af | vaardigden af |
| zij | vaardigen af | vaardigden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te vaardigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen vaardigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal vaardigen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou vaardigen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden vaardigen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt vaardigen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen vaardigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen vaardigen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult vaardigen | bijzin, toekomende tijd |
| afgevaardigd | verleden tijd, deelwoord |
| afgevaardigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgevaardigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgevaardigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgevaardigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgevaardigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgevaardigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgevaardigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgevaardigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgevaardigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgevaardigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afvaardig | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afvaardigde | bijzin, verleden tijd |
| afvaardigden | bijzin, verleden tijd |
| afvaardigend | onvoltooid, deelwoord |
| afvaardigt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgevaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgevaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgevaardigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgevaardigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgevaardigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgevaardigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgevaardigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgevaardigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgevaardigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgevaardigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgevaardigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgevaardigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgevaardigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgevaardigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgevaardigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgevaardigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgevaardigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgevaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgevaardigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgevaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgevaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgevaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgevaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgevaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgevaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgevaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgevaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgevaardigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afvaardigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vaardig af | gebiedende wijs |
| vaardigde af | verleden tijd |
| waart afgevaardigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgevaardigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgevaardigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgevaardigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgevaardigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgevaardigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgevaardigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgevaardigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgevaardigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgevaardigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgevaardigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgevaardigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgevaardigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgevaardigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgevaardigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgevaardigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgevaardigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgevaardigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgevaardigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgevaardigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgevaardigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgevaardigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgevaardigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgevaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgevaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgevaardigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgevaardigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afvaardigen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgevaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgevaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgevaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgevaardigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgevaardigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgevaardigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgevaardigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgevaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgevaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgevaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgevaardigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgevaardigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgevaardigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afvaardigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afvaardigen af zou(dt) vaardigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgevaardigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgevaardigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgevaardigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgevaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgevaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgevaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgevaardigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgevaardigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgevaardigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afvaardigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgevaardigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgevaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgevaardigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afvaardigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgevaardigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgevaardigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgevaardigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgevaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgevaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgevaardigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgevaardigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgevaardigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgevaardigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afvaardigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afvaardigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afvaardigen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgevaardigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘iem. zenden en machtigen’ voor het eerst aangetroffen in 1580
Woordfamilie van afvaardigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgevaardigd | voltooid deelwoord | afvaardigen |
| afvaardig | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afvaardigen |
| afvaardigde | subordinate-clause, verleden tijd | afvaardigen |
| afvaardigden | subordinate-clause, verleden tijd | afvaardigen |
| afvaardige | with-subordinate-clause | afvaardigen |
| afvaardigend | onvoltooid deelwoord | afvaardigen |
| afvaardigende | woordvorm | afvaardigen |
| afvaardigt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afvaardigen |
| vaardig af | gebiedende wijs | afvaardigen |
| vaardigde af | verleden tijd | afvaardigen |
| vaardigden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afvaardigen |
| vaardige af | woordvorm | afvaardigen |
| vaardigen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afvaardigen |
| vaardigt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afvaardigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afvaardigen zijn vastgelegd.