afstuiven
werkwoordBetekenis
- door het wegstuiven van zand door de wind lager worden
Vervoeging van afstuiven
afstuivenhele werkwoord — stoof afverleden tijd enkelvoud — stoven afverleden tijd meervoud — afgestovenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stuif af | stoof af |
| jij | stuift af | stoof af |
| hij, zij, het | stuift af | stoof af |
| wij | stuiven af | stoven af |
| jullie | stuiven af | stoven af |
| zij | stuiven af | stoven af |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te stuiven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen stuiven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal stuiven | bijzin, toekomende tijd |
| af zou stuiven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden stuiven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt stuiven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen stuiven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen stuiven | bijzin, toekomende tijd |
| af zult stuiven | bijzin, toekomende tijd |
| afgestoven | verleden tijd, deelwoord |
| afgestoven te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgestoven zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afstoof | bijzin, verleden tijd |
| afstoven | bijzin, verleden tijd |
| afstuif | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afstuift | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afstuivend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgestoven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgestoven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is afgestoven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgestoven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stoof af | verleden tijd |
| stuif af | gebiedende wijs |
| te zijn afgestoven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afstuiven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgestoven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgestoven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgestoven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgestoven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgestoven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgestoven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgestoven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal afgestoven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgestoven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgestoven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afstuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afstuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afstuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afstuiven | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgestoven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn afgestoven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgestoven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgestoven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgestoven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgestoven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgestoven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgestoven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afstuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afstuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afstuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afstuiven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afstuiven af zou(dt) stuiven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgestoven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgestoven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgestoven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afstuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afstuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afstuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afstuiven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgestoven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afstuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afstuiven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgestoven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgestoven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgestoven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afstuiven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afstuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afstuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afstuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afstuiven | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgestoven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afstuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afstuiven | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afstuiven af zult/zal stuiven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af en stuiven
Woordfamilie van afstuiven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgestoven | voltooid deelwoord | afstuiven |
| afstuif | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afstuiven |
| afstuift | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afstuiven |
| afstuive | with-subordinate-clause | afstuiven |
| afstuivend | onvoltooid deelwoord | afstuiven |
| afstuivende | woordvorm | afstuiven |
| stuif af | gebiedende wijs | afstuiven |
| stuift af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afstuiven |
| stuive af | woordvorm | afstuiven |
| stuiven af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afstuiven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afstuiven zijn vastgelegd.