afstruinen
werkwoordBetekenis
- een geheel gebied of stadsdeel lopend verkennen
- uitputtend onderzoeken; zeer grondig onderzoeken
Vervoeging van afstruinen
afstruinenhele werkwoord — struinde afverleden tijd enkelvoud — struinden afverleden tijd meervoud — afgestruindvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | struin af | struinde af |
| jij | struint af | struinde af |
| hij, zij, het | struint af | struinde af |
| wij | struinen af | struinden af |
| jullie | struinen af | struinden af |
| zij | struinen af | struinden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te struinen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen struinen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal struinen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou struinen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden struinen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt struinen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen struinen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen struinen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult struinen | bijzin, toekomende tijd |
| afgestruind | verleden tijd, deelwoord |
| afgestruind te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgestruind te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgestruind te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgestruind te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgestruind te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgestruind worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgestruind zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgestruind zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgestruind zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgestruind zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afstruin | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afstruinde | bijzin, verleden tijd |
| afstruinden | bijzin, verleden tijd |
| afstruinend | onvoltooid, deelwoord |
| afstruint | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgestruind | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgestruind | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgestruind | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgestruind | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgestruind | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgestruind | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgestruind worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgestruind zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgestruind worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgestruind zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgestruind | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgestruind | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgestruind | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgestruind | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgestruind | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgestruind | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgestruind | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgestruind | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgestruind | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgestruind | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgestruind | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgestruind | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgestruind | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgestruind | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgestruind | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgestruind | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgestruind | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| struin af | gebiedende wijs |
| struinde af | verleden tijd |
| te hebben afgestruind | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afstruinen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgestruind | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgestruind | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgestruind | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgestruind | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgestruind | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgestruind | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgestruind | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgestruind | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgestruind | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgestruind | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgestruind | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgestruind | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgestruind | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgestruind | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgestruind | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgestruind | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgestruind | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgestruind | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgestruind | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgestruind | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgestruind hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgestruind hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgestruind hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgestruind worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgestruind worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgestruind zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgestruind zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afstruinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afstruinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afstruinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afstruinen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgestruind | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgestruind | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgestruind | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgestruind | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgestruind hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgestruind hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgestruind hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgestruind worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgestruind worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgestruind worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgestruind zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgestruind zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgestruind zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afstruinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afstruinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afstruinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afstruinen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afstruinen af zou(dt) struinen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgestruind hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgestruind hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgestruind hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgestruind worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgestruind worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgestruind worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgestruind zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgestruind zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgestruind zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afstruinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afstruinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afstruinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afstruinen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgestruind hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgestruind worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgestruind zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afstruinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afstruinen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgestruind hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgestruind hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgestruind hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgestruind worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgestruind worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgestruind worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgestruind zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgestruind zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgestruind zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afstruinen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afstruinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afstruinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afstruinen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afstruinen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgestruind hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en struinen ww
Woordfamilie van afstruinen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgestruind | voltooid deelwoord | afstruinen |
| afgestruinde | woordvorm | afstruinen |
| afstruin | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afstruinen |
| afstruinde | subordinate-clause, verleden tijd | afstruinen |
| afstruinden | subordinate-clause, verleden tijd | afstruinen |
| afstruine | with-subordinate-clause | afstruinen |
| afstruinend | onvoltooid deelwoord | afstruinen |
| afstruinende | woordvorm | afstruinen |
| afstruint | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afstruinen |
| struin af | gebiedende wijs | afstruinen |
| struinde af | verleden tijd | afstruinen |
| struinden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afstruinen |
| struine af | woordvorm | afstruinen |
| struinen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afstruinen |
| struint af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afstruinen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afstruinen zijn vastgelegd.