afstrijden
werkwoordBetekenis
- tegenspreken
Vervoeging van afstrijden
afstrijdenhele werkwoord — streed afverleden tijd enkelvoud — streden afverleden tijd meervoud — afgestredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | strijd af | streed af |
| jij | strijdt af | streed af |
| hij, zij, het | strijdt af | streed af |
| wij | strijden af | streden af |
| jullie | strijden af | streden af |
| zij | strijden af | streden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te strijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen strijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal strijden | bijzin, toekomende tijd |
| af zou strijden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden strijden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt strijden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen strijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen strijden | bijzin, toekomende tijd |
| af zult strijden | bijzin, toekomende tijd |
| afgestreden | verleden tijd, deelwoord |
| afgestreden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgestreden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgestreden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgestreden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgestreden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgestreden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgestreden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgestreden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgestreden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgestreden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afstreden | bijzin, verleden tijd |
| afstreed | bijzin, verleden tijd |
| afstrijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afstrijdend | onvoltooid, deelwoord |
| afstrijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgestreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgestreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgestreden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgestreden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgestreden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgestreden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgestreden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgestreden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgestreden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgestreden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgestreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgestreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgestreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgestreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgestreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgestreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgestreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgestreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgestreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgestreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgestreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgestreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgestreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgestreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgestreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgestreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgestreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| streed af | verleden tijd |
| strijd af | gebiedende wijs |
| te hebben afgestreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afstrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgestreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgestreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgestreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgestreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgestreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgestreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgestreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgestreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgestreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgestreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgestreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgestreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgestreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgestreden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgestreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgestreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgestreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgestreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgestreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgestreden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgestreden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgestreden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgestreden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgestreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgestreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgestreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgestreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afstrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afstrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afstrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afstrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgestreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgestreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgestreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgestreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgestreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgestreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgestreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgestreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgestreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgestreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgestreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgestreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgestreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afstrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afstrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afstrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afstrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afstrijden af zou(dt) strijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgestreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgestreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgestreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgestreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgestreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgestreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgestreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgestreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgestreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afstrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afstrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afstrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afstrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgestreden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgestreden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgestreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afstrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afstrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgestreden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgestreden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgestreden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgestreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgestreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgestreden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgestreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgestreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgestreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afstrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afstrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afstrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afstrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afstrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgestreden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
van het Duitse abstreiten samenstelling van af en strijden
Woordfamilie van afstrijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgestreden | voltooid deelwoord | afstrijden |
| afstreden | subordinate-clause, verleden tijd | afstrijden |
| afstreed | subordinate-clause, verleden tijd | afstrijden |
| afstrijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afstrijden |
| afstrijde | with-subordinate-clause | afstrijden |
| afstrijdend | onvoltooid deelwoord | afstrijden |
| afstrijdende | woordvorm | afstrijden |
| afstrijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afstrijden |
| streden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afstrijden |
| streed af | verleden tijd | afstrijden |
| strijd af | gebiedende wijs | afstrijden |
| strijde af | woordvorm | afstrijden |
| strijden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afstrijden |
| strijdt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afstrijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afstrijden zijn vastgelegd.