afstompen
werkwoordBetekenis
- zijn scherpheid verliezen
- van zijn scherpheid beroven
- iemands tegenwoordigheid van geest nadelig beïnvloeden
Vervoeging van afstompen
afstompenhele werkwoord — stompte afverleden tijd enkelvoud — stompten afverleden tijd meervoud — afgestomptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stomp af | stompte af |
| jij | stompt af | stompte af |
| hij, zij, het | stompt af | stompte af |
| wij | stompen af | stompten af |
| jullie | stompen af | stompten af |
| zij | stompen af | stompten af |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te stompen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen stompen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal stompen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou stompen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden stompen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt stompen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen stompen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen stompen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult stompen | bijzin, toekomende tijd |
| afgestompt | verleden tijd, deelwoord |
| afgestompt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgestompt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afstomp | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afstompend | onvoltooid, deelwoord |
| afstompt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afstompte | bijzin, verleden tijd |
| afstompten | bijzin, verleden tijd |
| er is afgestompt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgestompt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgestompt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgestompt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgestompt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgestompt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgestompt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgestompt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgestompt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgestompt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgestompt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgestompt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgestompt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgestompt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgestompt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgestompt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgestompt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgestompt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgestompt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgestompt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgestompt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgestompt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgestompt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stomp af | gebiedende wijs |
| stompte af | verleden tijd |
| te hebben afgestompt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afstompen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afgestompt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgestompt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgestompt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afstompen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afstompen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afstompen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afstompen | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgestompt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgestompt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgestompt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afstompen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afstompen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afstompen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afstompen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afstompen af zou(dt) stompen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgestompt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgestompt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgestompt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afstompen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afstompen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afstompen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afstompen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgestompt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afstompen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afstompen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgestompt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgestompt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgestompt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afstompen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afstompen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afstompen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afstompen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afstompen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgestompt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afstompen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afstompen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afstompen af zult/zal stompen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en stompen ww
Woordfamilie van afstompen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afstomp | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afstompen |
| afstompe | with-subordinate-clause | afstompen |
| afstompend | onvoltooid deelwoord | afstompen |
| afstompende | woordvorm | afstompen |
| afstompt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afstompen |
| afstompte | subordinate-clause, verleden tijd | afstompen |
| afstompten | subordinate-clause, verleden tijd | afstompen |
| stomp af | gebiedende wijs | afstompen |
| stompe af | woordvorm | afstompen |
| stompen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afstompen |
| stompt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afstompen |
| stompte af | verleden tijd | afstompen |
| stompten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afstompen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afstompen zijn vastgelegd.