Naar de inhoud

afstompen

zijn scherpheid verliezen

afstompen

werkwoord

Betekenis

  1. zijn scherpheid verliezen
  2. van zijn scherpheid beroven
  3. iemands tegenwoordigheid van geest nadelig beïnvloeden

Vervoeging van afstompen

afstompenhele werkwoord — stompte afverleden tijd enkelvoud — stompten afverleden tijd meervoud — afgestomptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stomp af stompte af
jij stompt af stompte af
hij, zij, het stompt af stompte af
wij stompen af stompten af
jullie stompen af stompten af
zij stompen af stompten af
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te stompen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen stompen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal stompen bijzin, toekomende tijd
af zou stompen bijzin, voorwaardelijk
af zouden stompen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt stompen bijzin, voorwaardelijk
af zullen stompen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen stompen bijzin, toekomende tijd
af zult stompen bijzin, toekomende tijd
afgestompt verleden tijd, deelwoord
afgestompt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgestompt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afstomp bijzin, tegenwoordige tijd
afstompend onvoltooid, deelwoord
afstompt bijzin, tegenwoordige tijd
afstompte bijzin, verleden tijd
afstompten bijzin, verleden tijd
er is afgestompt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgestompt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgestompt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgestompt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgestompt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgestompt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgestompt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgestompt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgestompt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgestompt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgestompt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgestompt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgestompt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgestompt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgestompt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgestompt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgestompt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgestompt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgestompt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgestompt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgestompt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgestompt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgestompt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stomp af gebiedende wijs
stompte af verleden tijd
te hebben afgestompt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afstompen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgestompt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgestompt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgestompt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afstompen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afstompen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afstompen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afstompen bijzin, toekomende tijd
zou afgestompt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgestompt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgestompt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afstompen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afstompen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afstompen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afstompen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afstompen af zou(dt) stompen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgestompt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgestompt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgestompt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afstompen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afstompen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afstompen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afstompen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgestompt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afstompen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afstompen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgestompt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgestompt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgestompt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afstompen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afstompen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afstompen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afstompen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afstompen bijzin, toekomende tijd
zult afgestompt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afstompen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afstompen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afstompen af zult/zal stompen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en stompen ww

Woordfamilie van afstompen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afstomp subordinate-clause, tegenwoordige tijd afstompen
afstompe with-subordinate-clause afstompen
afstompend onvoltooid deelwoord afstompen
afstompende woordvorm afstompen
afstompt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afstompen
afstompte subordinate-clause, verleden tijd afstompen
afstompten subordinate-clause, verleden tijd afstompen
stomp af gebiedende wijs afstompen
stompe af woordvorm afstompen
stompen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afstompen
stompt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afstompen
stompte af verleden tijd afstompen
stompten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afstompen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afstompen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afstompen

Wat is de betekenis van afstompen?
Afstompen is een werkwoord. De betekenis is: zijn scherpheid verliezen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afstompen?
Zo vervoeg je afstompen zo: het voltooid deelwoord is afgestompt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afstompen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. O 1
  6. M 3
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afstompen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. O 1
  6. M 3
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afstompen in het kort

afstompen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afstompen staan er 53 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afstompen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afstompen: zijn scherpheid verliezen
Deel afstompen — standaardnederlands.nl