Naar de inhoud

afstemmen

op de juiste toonhoogte brengen

afstemmen

werkwoord /'ɑfstɛmə(n)/

Betekenis

  1. op de juiste toonhoogte brengen
  2. op de juiste frequentie instellen
  3. iets zo regelen dat het voor iedereen passend is
  4. bij stemming verwerpen

Hoe spreek je afstemmen uit?

/ˈɑfstɛmən/

Afstemmen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfstɛmən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
s sok
t tak
ɛ bed
m maan
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. iets zo regelen dat he samen één geheel vormt

Vervoeging van afstemmen

afstemmenhele werkwoord — stemde afverleden tijd enkelvoud — stemden afverleden tijd meervoud — afgestemdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stem af stemde af
jij stemt af stemde af
hij, zij, het stemt af stemde af
wij stemmen af stemden af
jullie stemmen af stemden af
zij stemmen af stemden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te stemmen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen stemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal stemmen bijzin, toekomende tijd
af zou stemmen bijzin, voorwaardelijk
af zouden stemmen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt stemmen bijzin, voorwaardelijk
af zullen stemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen stemmen bijzin, toekomende tijd
af zult stemmen bijzin, toekomende tijd
afgestemd verleden tijd, deelwoord
afgestemd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgestemd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgestemd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgestemd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgestemd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgestemd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgestemd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgestemd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgestemd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgestemd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afstem bijzin, tegenwoordige tijd
afstemde bijzin, verleden tijd
afstemden bijzin, verleden tijd
afstemmend onvoltooid, deelwoord
afstemt bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgestemd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgestemd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgestemd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgestemd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgestemd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgestemd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgestemd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgestemd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgestemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgestemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgestemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgestemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgestemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgestemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgestemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgestemd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stem af gebiedende wijs
stemde af verleden tijd
te hebben afgestemd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afstemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgestemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgestemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgestemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgestemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgestemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgestemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgestemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgestemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgestemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgestemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgestemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgestemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgestemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgestemd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgestemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgestemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgestemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgestemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgestemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgestemd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgestemd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgestemd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgestemd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgestemd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgestemd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgestemd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgestemd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afstemmen bijzin, toekomende tijd
zijn afgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgestemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgestemd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgestemd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgestemd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgestemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgestemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgestemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgestemd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgestemd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgestemd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afstemmen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afstemmen af zou(dt) stemmen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgestemd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgestemd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgestemd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgestemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgestemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgestemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgestemd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgestemd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgestemd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afstemmen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgestemd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgestemd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgestemd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afstemmen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgestemd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgestemd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgestemd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgestemd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgestemd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgestemd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgestemd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgestemd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgestemd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afstemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afstemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afstemmen bijzin, toekomende tijd
zult afgestemd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en stemmen ww

Woordfamilie van afstemmen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgestemd voltooid deelwoord afstemmen
afstem subordinate-clause, tegenwoordige tijd afstemmen
afstemde subordinate-clause, verleden tijd afstemmen
afstemden subordinate-clause, verleden tijd afstemmen
afstemme with-subordinate-clause afstemmen
afstemmend onvoltooid deelwoord afstemmen
afstemmende woordvorm afstemmen
afstemt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afstemmen
stem af gebiedende wijs afstemmen
stemde af verleden tijd afstemmen
stemden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afstemmen
stemme af woordvorm afstemmen
stemmen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afstemmen
stemt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afstemmen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afstemmen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over afstemmen

Hoe spreek ik afstemmen uit?
Zo spreek je afstemmen uit: /'ɑfstɛmə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van afstemmen?
Afstemmen is een werkwoord. De betekenis is: op de juiste toonhoogte brengen. In totaal staan er 5 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afstemmen?
Zo vervoeg je afstemmen zo: het voltooid deelwoord is afgestemd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afstemmen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. M 3
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afstemmen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. M 3
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afstemmen in het kort

afstemmen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 5 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afstemmen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afstemmen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afstemmen: op de juiste toonhoogte brengen
Deel afstemmen — standaardnederlands.nl