afstemmen
werkwoord /'ɑfstɛmə(n)/Betekenis
- op de juiste toonhoogte brengen
- op de juiste frequentie instellen
- iets zo regelen dat het voor iedereen passend is
- bij stemming verwerpen
Hoe spreek je afstemmen uit?
/ˈɑfstɛmən/
Afstemmen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| s | sok |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- iets zo regelen dat he samen één geheel vormt
Vervoeging van afstemmen
afstemmenhele werkwoord — stemde afverleden tijd enkelvoud — stemden afverleden tijd meervoud — afgestemdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stem af | stemde af |
| jij | stemt af | stemde af |
| hij, zij, het | stemt af | stemde af |
| wij | stemmen af | stemden af |
| jullie | stemmen af | stemden af |
| zij | stemmen af | stemden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te stemmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen stemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal stemmen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou stemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden stemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt stemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen stemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen stemmen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult stemmen | bijzin, toekomende tijd |
| afgestemd | verleden tijd, deelwoord |
| afgestemd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgestemd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgestemd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgestemd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgestemd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgestemd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgestemd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgestemd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgestemd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgestemd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afstem | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afstemde | bijzin, verleden tijd |
| afstemden | bijzin, verleden tijd |
| afstemmend | onvoltooid, deelwoord |
| afstemt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgestemd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgestemd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgestemd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgestemd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgestemd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgestemd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgestemd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgestemd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgestemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgestemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgestemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgestemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgestemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgestemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgestemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgestemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stem af | gebiedende wijs |
| stemde af | verleden tijd |
| te hebben afgestemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afstemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgestemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgestemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgestemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgestemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgestemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgestemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgestemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgestemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgestemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgestemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgestemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgestemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgestemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgestemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgestemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgestemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgestemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgestemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgestemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgestemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgestemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgestemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgestemd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgestemd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afstemmen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgestemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgestemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgestemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgestemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgestemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgestemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgestemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afstemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afstemmen af zou(dt) stemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgestemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgestemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgestemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgestemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgestemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgestemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afstemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgestemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgestemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgestemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afstemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgestemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgestemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgestemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgestemd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgestemd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgestemd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afstemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afstemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afstemmen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgestemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en stemmen ww
Woordfamilie van afstemmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgestemd | voltooid deelwoord | afstemmen |
| afstem | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afstemmen |
| afstemde | subordinate-clause, verleden tijd | afstemmen |
| afstemden | subordinate-clause, verleden tijd | afstemmen |
| afstemme | with-subordinate-clause | afstemmen |
| afstemmend | onvoltooid deelwoord | afstemmen |
| afstemmende | woordvorm | afstemmen |
| afstemt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afstemmen |
| stem af | gebiedende wijs | afstemmen |
| stemde af | verleden tijd | afstemmen |
| stemden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afstemmen |
| stemme af | woordvorm | afstemmen |
| stemmen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afstemmen |
| stemt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afstemmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afstemmen zijn vastgelegd.