Naar de inhoud

afstellen

regelbare parameters zo kiezen dat een toestel voor een bepaald doel gereed is

afstellen

werkwoord /'ɑfstɛlə(n)/

Betekenis

  1. regelbare parameters zo kiezen dat een toestel voor een bepaald doel gereed is

Hoe spreek je afstellen uit?

/ˈɑfstɛlən/

Afstellen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfstɛlən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
s sok
t tak
ɛ bed
l land
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afstellen

afstellenhele werkwoord — stelde afverleden tijd enkelvoud — stelden afverleden tijd meervoud — afgesteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stel af stelde af
jij stelt af stelde af
hij, zij, het stelt af stelde af
wij stellen af stelden af
jullie stellen af stelden af
zij stellen af stelden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te stellen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen stellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal stellen bijzin, toekomende tijd
af zou stellen bijzin, voorwaardelijk
af zouden stellen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt stellen bijzin, voorwaardelijk
af zullen stellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen stellen bijzin, toekomende tijd
af zult stellen bijzin, toekomende tijd
afgesteld verleden tijd, deelwoord
afgesteld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgesteld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgesteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgesteld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgesteld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgesteld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgesteld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgesteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgesteld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgesteld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afstel bijzin, tegenwoordige tijd
afstelde bijzin, verleden tijd
afstelden bijzin, verleden tijd
afstellend onvoltooid, deelwoord
afstelt bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgesteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgesteld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgesteld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgesteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgesteld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgesteld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgesteld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgesteld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgesteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stel af gebiedende wijs
stelde af verleden tijd
te hebben afgesteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afstellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afstellen bijzin, toekomende tijd
zijn afgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afstellen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afstellen af zou(dt) stellen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afstellen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afstellen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afstellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afstellen bijzin, toekomende tijd
zult afgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en stellen ww

Woordfamilie van afstellen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgesteld voltooid deelwoord afstellen
afstelde subordinate-clause, verleden tijd afstellen
afstelden subordinate-clause, verleden tijd afstellen
afstelle with-subordinate-clause afstellen
afstellend onvoltooid deelwoord afstellen
afstellende woordvorm afstellen
afstelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afstellen
stel af gebiedende wijs afstellen
stelde af verleden tijd afstellen
stelden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afstellen
stelle af woordvorm afstellen
stellen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afstellen
stelt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afstellen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afstellen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afstellen

Hoe spreek ik afstellen uit?
Zo spreek je afstellen uit: /'ɑfstɛlə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van afstellen?
Afstellen is een werkwoord. De betekenis is: regelbare parameters zo kiezen dat een toestel voor een bepaald doel gereed is.
Hoe vervoeg ik afstellen?
Zo vervoeg je afstellen zo: het voltooid deelwoord is afgesteld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afstellen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afstellen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afstellen in het kort

afstellen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afstellen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afstellen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afstellen: regelbare parameters zo kiezen dat een toestel voor een bepaald doel gereed is
Deel afstellen — standaardnederlands.nl